Op deze website wordt u het overzicht - meer dan - ‘100 jaar Orthopedagogiek’ gepresenteerd.

Deze website is eigendom van het Hermen J, Jacobsfonds
Het Hermen J. Jacobsfonds ondersteunt onder andere projecten op het terrein van het speciaal onderwijs. Hermen J. Jacobs was 30 jaar eindredacteur van het toonaangevende tijdschrift voor het buitengewoon onderwijs en publiceerde tientallen artikelen. Deze en vele andere artikelen kunnen via deze site geraadpleegd worden. Indien u toegang wilt hebben tot de artikelen, kunt u een verzoek sturen aan het secretariaat van het Hermen J. Jacobsfonds via secretariaathjjacobsfonds@gmail.com.

U treft hiernaast als eerste het onderdeel
'<< 1909' aan. U komt via deze 'knop' bij
de gebeurtenissen voorafgaand aan 1909, het oprichtingsjaar van - de voorlopers van - het Tijdschrift voor Orthopedagogiek.
Daar kunt u via de 'knop' '>>1909' naar de huidige pagina terugkeren.
Hiernaast wordt het overzicht van 1909 tot en met het huidige jaar weergegeven.

Binnen dit jaaroverzicht wordt een 5-tal categorieën weergegeven, te weten:
 

  •  
    Wetten en regelingen
  •  
    Gebeurtenissen
  •  
    Ontwikkelingen in het veld
  •  
    Artikelen
  •  
    Ontstaansgeschiedenis

    Zie voor verdere informatie:
    Colofon - Disclaimer - Over (rechts - onder)

100 Jaar - 1790

  • De Engelse meubelmaker Thomas Saint dient een aanvraag in voor een patent op een houten naaimachine, waarmee de kettingsteek gemaakt kon worden. Zijn kettingsteekmachine was bedoeld voor het gebruik in werkplaatsen voor het maken van schoenen en laarzen.
     
  • De Zuidelijke Nederlanden verklaren zichzelf op 11 januari onafhankelijk van Oostenrijk als de Verenigde Nederlandse Staten, maar de staat blijft maar tot december bestaan.
  • VOORHEEN
    John Stephen Mollet
    1768-1851
    De Amsterdamse quaker, schoolhouder, J.S. Mollet opperde in 1828 het plan om een bewaarschool te bouwen, naar het model van de infant schools in Engeland. Na de opening van de school - Bewaarschool 'Amsterdams Welvaren', Berenstraat 7 - werden 30 kinderen in de leeftijd van twee tot zes jaar toegelaten. In 1850 telde de school meer dan 100 leerlingen.
    BRON
    Hans Willem Cornelis Anne Visser
    1773-1826
    Hij werd geboren in St. Anna Parochie. Door medewerking van de  Baron van Aylva, zijn peter, werd hij ‘wegens zijne vroeg geblekene leerzucht, tot de letteroefeningen opgeleid.’ Hij vertrok in 1789 naar de Hoogeschool in Franeker, waar hij, zes jaren achtereen, Godgeleerdheid studeerde. Tijdens zijn verblijf begon hij ‘eene Academische Verhandeling te schrijven; doch de toenmalige omstandigheden beletten hare voltooijing, en drongen hem, de gunstige gelegenheid, hem geopend ter bekoming van eene aangename standplaats als Predikant te Warns, niet te laten voorbijgaan.’ (Brugmans). Hij aanvaardde dit beroep in 1795 en trad in hetzelfde jaar in het huwelijk met H. Zijlstra, uit welk huwelijk vijf kinderen werden geboren waarvan er een snel overleed. Hij werkte hier 14 jaar.
    In 1809 ging hij naar een dorp bij Sneek. Daarnaast hield hij zich bezig met de verbetering van het schoolwezen. Hij werd tot Schoolopziener benoemd in 1804.
    In 1815 werd hij benoemd tot ‘Secretaris der Provinciale Commissie van onderwijs in Vriesland’. Hij ondervond veel tegenwerking:
    … de wijze, waarop hij die tegenkantingen zocht te overwinnen, was, naar het oordeel ook van zijne vrienden en vereerders, niet altijd door dien geest van zachtmoedige wijsheid bestuurd, welke, helaas! bij de algemeene onvolmaaktheid der menschelijke natuur, slechts zelden met kracht van geest en standvastige volharding, in gelijke mate, gepaard gaat. Moge dan ook het misnoegen, door velen tegen hem opgevat, niet altijd geheel ongegrond zijn geweest, verre zij het nogtans van ons, M.H., dat wij, onze eigene onvolkomenheid uit het oog verliezende, de hulde van onze achting weigeren zouden aan eenen man, die tot bevordering van de heilige zaak van menschen-verlichting en menschen-veredeling eigene rust en genoegen heeft opgeofferd en die, schoon hij ook somwijlen in de keuze der middelen gedwaald hebbe en door zijnen ijver te verre vervoerd werd, echter steeds naar overtuiging gehandeld en het goede voor oogen heeft gehad. Veel goeds is dan ook werkelijk door hem tot stand gebragt, 't welk de dankbare en onpartijdige nakomelingschap misschien beter, dan het thans levende geslacht, zal weten te waarderen.’ (Brugmans).
    Hij heeft vele publicaties op zijn naam staan over Godsdienst, opvoeding en onderwijs:
    … verscheidene derzelve nogtans, bijzonder die, welke tot het vak der opvoedkunde betrekking hebben, zullen, buiten twijfel, tot de nakomelingschap overgaan, en zijnen naam bestendig in eere houden.
    De laatste jaren van 's mans rusteloos bedrijvig leven werden, gelijk uit het bovengemelde reeds gedeeltelijk blijken kan, door vele onaangenaamheden en twisten, met name ook in zijne gemeente, voor hem verbitterd, die hem wel niet van het spoor van waarheid en pligt, 't welk hij meende te moeten volgen, konden aftrekken, maar echter op zijne zielsrust en ligchamelijken welstand een' schadelijken invloed oefenden. Dan hevig bovenal was de schok, daaraan door het onverwachte verlies van een' eenigen veel belovenden zoon toegebragt, die in den jare 1825, naauwelijks zestien jaren oud zijnde, in het water ongelukkig zijn leven verloor. Hij poogde zich wel door de kracht van rede en Godsdienst ook boven dezen pijnlijken schok te verheffen; doch het bleek aan zijne vrienden maar al te duidelijk, dat die pogingen vruchteloos waren, en de worm bestendig bleef knagen. Het was derhalve niet vreemd, dat het geweld der ziekte, die, in den zomer en herfst van het jongstverloopene jaar, in Vriesland en bijzonder te Sneek en in deszelfs omstreken vele verwoestigen aanrigtte, ook hem in het graf sleepte.’ (Brugmans).
    BRON: Handelingen der jaarlijksche vergadering van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, gehouden den 2den van Hooimaand 1827. Z.p., z.j. .
    BRON: A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 19. J.J. van Brederode, Haarlem 1876.
    BRON: J.G. Frederiks en F. Jos. van den Branden, Biographisch woordenboek der Noord- en Zuidnederlandsche letterkunde. L.J. Veen, Amsterdam 1888-1891.
    BRON: P.C. Molhuysen en P.J. Blok (red.), Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 4. A.W. Sijthoff, Leiden 1918.
    Johannes (Jan) ter Pelkwijk
    1769-1834
    Volgde op 7 jarige leeftijd de Franse school in Barneveld en met 11 jaar de Latijnse school in Zwolle.
    1785: Atheneum Deventer.
    1800: medeoprichter Zwolse Nutsschool.
    Studeerde aan de Universiteit van Harderwijk en promoveerde in 1790 tot meester in de vrije kunsten en doctor in de rechten en de filosofie. Na 1827 bemoeide hij zich met de inrichting van een bewaarschool en de opleiding van matressen.
    Vader: Predikant.
    BRON J.C. Streng, Het is Thans Zeer Briljant: Aspecten Van Het Zwolse Culturele Leven Tijdens de overgang van ancien régime naar moderne tijd.
    Pieter Johannes Prinsen
    6 Juni 1777-6 januari 1854
    Was aanvankelijk timmerman (‘Hij ging vroegtijdig genoeg ter school, doch het schoolonderwijs was daar ter plaatse nog gebrekkig; de dageraad der schoolverbetering was er nog beneveld; zijn gelukkige aanleg kon er niet ontwikkeld worden, zijn leerlust kon er geen voedsel vinden’, aldus H. Wynbeek), maar stapte al snel over naar het onderwijs. Na de vereiste examens werd hij ondermeester aan de school van Verboon te Schiedam. Ook volgde hij de zaterdagse lessen (in nederduitsche taal) van ds. W. Goede in Rotterdam, die een cursus voor onderwijzers had geopend. Op 21-jarige leeftijd richtte hij in Schiedam een eigen school op en werd drie jaar later tot hoofd der Departementsschool van het ‘Nut’ in Haarlem benoemd. In dezelfde tijd trad hij in het huwelijk met Francina van Eyk, die hem een tiental kinderen schonk. Op voordracht van de Commissie voor onderwijs in Amstelland verkreeg hij in 1810 honoris causa de eerste rang. Zes jaar later werd hij tot directeur van de op te richten Rijkskweekschool voor onderwijzers in Haarlem benoemd. Hij zou deze functie 36 jaar vervullen.
    Bij de theoretische vorming der kweekelingen betoonde Prinsen zich strenger, en vorderde hij van hen aanhoudenden arbeid; doch was hij hun daarin ten voorbeeld, daar hij, benevens het geven van onderwijs op bepaalde uren, veel tijds moest besteden aan het nazien van hunne opstellen over onderwerpen van paedagogischen en wetenschappelijken aard. Doch de taak, den Directeur en Onderwijzer opgelegd werd nog aanmerkelijk verzwaard door het noodzakelijk toezigt op het gedrag der jonge lieden, van den ouderdom van 16 tot 20 jaren, en hetgeen met de plaatsing en bewaking in afzonderlijke kosthuizen in verband staat.’ (H. Wynbeek).
    Deze betrekking heeft hij tot zijn dood vervuld.
    Sedert 1833, wanneer, ten gevolge van het eervol ontslag van den Heer A. van den Ende, als Hoofdinspecteur van het middelbaar en lager onderwijs, ook aan mij het toezigt over de te Haarlem gevestigde Rijkskweekschool van onderwijzers was opgedragen, heb ik veelvuldige gelegenheid gehad om wijlen ons medelid, Pieter Johannes Prinsen, in zijn persoon en ambtsverrigtingen gade te slaan. Bij de eerste ontmoeting vielen mij dadelijk in het oog zijn stevige ligchaamsbouw, zijn forsch uitzigt, de sprekende trekken eener vaste wilskracht. Nader ontdekte ik in hem een helder verstand, veelzijdige wetenschappelijke kennis, door praktische aanwending versterkt, een open inborst, gevoel voor het edele en schoone, vatbaarheid voor reine vriendschap. Die vaste wilskracht was het die hem met onverzettelijke standvastigheid het eenmaal gekozen doel zijns levens deed najagen.
    (H. Wynbeek).
    Tevens werd hij in 1820 schoolopziener in het 2de district van de provincie Noord-Holland. Er bestond veel – ook buitenlandse – belangstelling voor de ‘methode-Prinsen’. Prinsen voerde een nieuwe leesmethode in, die weldra algemeen gevolgd werd en meer dan een halve eeuw in ons land van kracht gebleven is. Deze methode wordt toegelicht in ‘Leerwijze om kinderen te leeren lezen’ (1817), in briefvorm opgesteld in de trant van Pestalozzi, die door Prinsen hoog vereerd werd. De vroegere spelmethode werd door deze klankmethode geheel verdrongen. Op vergelijkbare wijze werd 50 jaar later Prinsens leesleerwijze weer verdrongen door de leesmethode-Bouman.
    Hij schreef meerdere leer- en schoolboeken en werken over opvoeding.
    Prinsen was lid van het Taal- en dichtlievend genootschap te Antwerpen (1819), corresponderend lid van het Bataviasche genootschap (1832), lid der Maatschappij van Nederlandsche letterkunde in Leiden (1837) en ridder in de orde van den Nederlandse Leeuw (1842).
    Na eenigen tijd aan rheumatische pijnen te hebben geleden openbaarde zich eene kwaadaardige verzwering op den regter schouder, die, na eene langzame verzwakking en een smartelijk lijden van omtrent drie maanden, een einde aan zijn nuttig en werkzaam leven maakte: zacht en kalm is hij ontslapen.

    Eenvoudig maar plegtig heeft zijne ter aardebestelling plaats gehad. Een steen met het opschrift:

        ‘Hier rust Pieter Johannes Prinsen, overleden 6 Januarij 1854.’

    wijst zijn graf aan
    .’ (H. Wynbeek.)
    BRON: P.C. Molhuysen en P.J. Blok (red.), Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 2. A.W. Sijthoff, Leiden 1912.
    BRON: J.G. Frederiks en F. Jos. van den Branden, Biographisch woordenboek der Noord- en Zuidnederlandsche letterkunde. L.J. Veen, Amsterdam 1888-1891.
    BRON: A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 15. J.J. van Brederode, Haarlem 1872.
    BRON: Handelingen der jaarlijksche algemeene vergadering van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, gehouden den 15 Junij 1854, in het gebouw der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen te Leiden. Z.d., z.p. z.j. 

    H. Wynbeek
    (1854). Levensberigt van Pieter Johannes Prinsen. In: Handelingen der jaarlijksche algemeene vergadering van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, gehouden den 15 Junij 1854, in het gebouw der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen te Leiden.
    LINK
     

    Nicolaas Anslijn
    12 mei 1777-18 september 1838
    Noordnederlands pedagoog en schrijver van kinderboeken. Publiceerde o.a. school- en leesboeken en een Systematische handleiding tot het Onderwijs in de Natuurlijke Geschiedenis en een Handleiding tot de kennis der artsenij-gewassen (1837) (met eigen tekeningen). Het succes van zijn opvoedkundig kinderleesboek De brave Hendrik, dat rond de 60 drukken beleefde (en in het Engels werd vertaald), was zodanig dat de auteur voortging met het schrijven van soortgelijke werkjes als De brave Maria en De arme Jacob. Nicolaas kreeg zijn eerste onderricht van zijn grootvader. Hij was achtereenvolgens in het schilders-, verlakkers- en boekbindersvak werkzaam om vervolgens onderwijzer te worden (1802). In 1804 werd hij als tweede meester op een stads-armenschool in Amsterdam geplaatst, waarna hij in 1807 tot hoofdonderwijzer van een armenschool in Haarlem benoemd werd. Om gezondheidsredenen (‘overspanning’) moest hij 12 jaar later die betrekking neerleggen waarna hij door privaatlessen (‘Huisonderwijzer’) in zijn onderhoud voorzag. Zijn laatste jaren sleet hij bij zijn zoon, Pieter Daniel Anslijn, Onderwijzer, in Alkmaar.
    Vader: Boekbinder (verdronken in 1798); grootvader onderwijzer.
    BRON: A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 1. J.J. van Brederode, Haarlem 1852.
    BRON: J.G. Frederiks en F. Jos. van den Branden, Biographisch woordenboek der Noord- en Zuidnederlandsche letterkunde. L.J. Veen, Amsterdam 1888-1891.
    BRON: P.C. Molhuysen en P.J. Blok (red.), Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 1. A.W. Sijthoff, Leiden 1911.
    BRON: G.J. van Bork & P.J. Verkruijsse (red.), De Nederlandse en Vlaamse auteurs van middeleeuwen tot heden met inbegrip van de Friese auteurs. De Haan, Weesp 1985.
    Anna Barbara van Meerten-Schilperoort
    1778-1853
    Geboren in Voorburg. Barbara had alleen een halfbroer uit een eerder huwelijk van haar moeder.
    In Noordwijk-Binnen bezocht ze het Franse meisjespensionaat van de dames Du Flos en Wägeli. Een goede opleiding kreeg ze niet. Zoals haar dochters later vertelden, ontving zij ‘oppervlakkig’ en ‘gebrekkig’ onderwijs. Leergierig als ze was, probeerde ze zichzelf zo veel mogelijk te ontwikkelen. Lezen deed ze graag en veel. De hervormde predikant Hendrik van Meerten behoorde tot de lokale notabelen. In 1794 trad Barbara op zestienjarige leeftijd met hem in het huwelijk. Ze werd domineesvrouw in Wadenoijen, bij Tiel. Als hulp bij de opvoeding begon zij boekjes te schrijven. Toen zij zag dat haar kinderen deze boekjes graag lazen, legde zij zich meer en meer toe op het schrijven van verhalen en leerboeken voor kinderen en jong volwassenen. Haar man stimuleerde deze bezigheden en zo besteedde zij steeds meer tijd aan lezen, schrijven en studeren. Het liefst deed zij dit alleen op een zolderkamertje. Haar inwonende moeder zorgde voor het huishouden. Om de geldzorgen van haar gezin verder te verlichten haalde Anna Barbara in 1812 een onderwijsbevoegdheid en begon zij een dag- en kostschool voor meisjes. Samen met twee van haar dochters lukte het haar de meisjesschool tot een gerespecteerd onderwijsinstituut te laten uitgroeien, waar steeds zo’n twaalf meisjes in de kost waren. De toenmalige onderwijsinspectie sprak in lovende bewoordingen over deze school. Ook was zij de stuwende kracht achter het toentertijd enige en succesvolle Nederlandse vrouwenblad Penélopé, of maandblad aan het vrouwelijk geschat gewijd, waarvan in 1821 het eerste nummer verscheen. Jarenlang voerde zij de redactie van dit blad. Met toestemming van gevangenisregenten begon Barbara op 12 augustus 1832 als allereerste vrouw in Nederland met het bezoeken van gedetineerde vrouwen. Barbara onderhield ook contacten met andere invloedrijke personen zoals dominee Ottho Gerard Heldring. Barbara was tevens de enige vrouw die in die tijd bereid was toe te treden tot de Vereniging tot Afschaffing van Sterken Drank.
    BRON


1790

Martinus van Beek
1790-1872
Van de jeugdjaren van Martinus is niets met zekerheid bekend. Vast staat slechts dat hij in 1820 te Mechelen tot priester is gewijd. Na zijn wijding was hij korte tijd assistent in de parochies Kessel en Nuland. In 1821 werd hij tot kapelaan in Gemert benoemd. Reeds een jaar later werd hij daar leraar aan de Latijnse school en in 1825 werd hij conrector van die school.
In Gemert leefden vier volwassen doofstommen, die geen van allen hun eerste communie konden doen of andere sacramenten ontvangen omdat niemand hen godsdienstonderricht kon geven. Kennelijk is Van Beek hierdoor gemotiveerd geraakt om verbetering in deze situatie te brengen. Mede gestimuleerd door zijn pastoor, Hendrik den Dubbelden, is hij zich gaan verdiepen in de mogelijkheden van onderwijs aan doven. Inzicht in vingeralfabet en gebarentaal verwierf hij door bestudering van Franse publicaties. Vervolgens zette hij een gebarensysteem op dat was gebaseerd op de regels van de Nederlandse taal. In 1828 begon hij na afloop van de lesuren van de Latijnse school dove leerlingen te onderwijzen. De resultaten van zijn onderwijs leidden ertoe dat verschillende doofstommen van buiten Gemert zich aanmeldden. Dat bracht hem op het idee om een provinciaal gericht instituut op te zetten, maar dit plan ging voorlopig niet door. Op een concept uit omstreeks 1830 schreef hij: 'De Belgische revolutie heeft dit plan verijdeld.'
In diezelfde tijd werd hij gevraagd om directeur te worden van het gymnasium dat de jezuïeten net in Katwijk hadden opgericht. Na lang aarzelen stemde hij toe. Zijn directeurschap is van zeer korte duur geweest: van juni tot augustus 1831. Toen ging hij weer terug naar Gemert en in korte tijd had hij weer al zijn doofstomme leerlingen om zich heen. In de daaropvolgende jaren werd het aantal leerlingen zo groot dat hij in 1835 ontslag nam als conrector van de Latijnse school. Dat bracht hem echter in financiële moeilijkheden. Hernieuwde pogingen om rijkssubsidie te krijgen liepen op niets uit.  Van Beek moest zich in de schulden steken. Maar in datzelfde jaar 1835 moet hij ook grote voldoening voor al zijn inspanningen ervaren hebben. Negen van zijn leerlingen werden toegelaten tot het ontvangen der eerste Heilige Communie. En op dezelfde dag diende  zijn vroegere pastoor hun het Heilig Vormsel toe.
Van Beek heeft in die beginjaren niet alleen financiële zorgen gehad. Veel van het werk kwam op zijn schouders terecht. Hij was belast met het zoeken naar en de instructie van het onderwijzend en verzorgend personeel en ook was hij bij de werving van leerlingen betrokken. Verder moesten er geschikte pleegouders in Gemert gevonden worden en had hij tot taak om voor de opvoeding van en het toezicht op de leerlingen te zorgen. In 1835 was hun aantal gestegen tot 32. Het onderwijs werd toen al enige tijd gegeven in het voormalige klooster van de dominicanen aan het Binderseind.
In 1839 schreef hij aan de apostolisch vicaris dat hij overwoog zijn werk op te geven. Hij raakte steeds dieper in de schulden en er was een nijpend gebrek aan ruimte, zodat ook de noodzakelijke verdere uitbreiding niet mogelijk was. Datzelfde jaar werd besloten tot de vestiging van een instituut in de toen net vrijgekomen gebouwen van het grootseminarie op Nieuw-Herlaer te Sint-Michielsgestel. Het bestuur werd gevormd door een commissie van invloedrijke geestelijken en leken die op de eerste plaats tot taak hadden om te voorzien in de financiële behoeften van de nieuwe instelling. Op 30 september 1840 gingen 46 doofstommen van Gemert naar Sint-Michielsgestel om daar hun opleiding te vervolgen.
In 1850 diende Martinus van Beek zijn ontslag in als directeur van het instituut in Sint-Michielsgestel en vertrok naar Brugge. Het gedenkboek van het doofstommeninstituut dat in 1940 uitkwam, veronderstelt dat het de bedoeling was dat Van Beek met de Broeders Xaverianen uit Brugge naar Amerika zou gaan om ook daar een instituut voor doofstommen op te richten. Enkele Xaverianen waren eerder in Sint-Michielsgestel geweest om kennis te nemen van de methoden van onderwijs die daar gehanteerd werden. Het Amerikaanse plan is in ieder geval niet doorgegaan. Zes jaar lang verbleef hij in Brugge. 'Zo bleef de ontgoochelde priester nog zes jaar te Brugge doelloos ronddolen', zo staat te lezen in het gedenkboek.
In 1856 werd Martinus door het bestuur van het Doofstommeninstituut in Antwerpen als directeur aangesteld. Deze functie heeft hij een achttal jaren vervuld. In 1864 opende hij een nieuw instituut. In dat 'Sint-Jozef Gesticht tot bescherming der Doofstommen' werden ook oud-Ieerlingen van het Doofstommeninstituut opgenomen, die zich niet in de maatschappij konden handhaven. Het bestuur van het Doofstommeninstituut wilde deze nieuwe taak er niet bijnemen. Van Beek was het daar niet mee eens en begon dus een eigen instituut.
Mogelijk was er ook nog een andere factor in het spel voor zijn vertrek. In het gedenkboek van het Antwerpse doofstommeninstituut wordt met betrekking tot zijn ontslagname in 1864 en de oprichting van het Sint-Jozefgesticht het volgende vermeld: 'De doorbrave en edelijke geestelijke zou tien jaar lang (sic) zijn beste krachten geven om de belangen van de school, de dove kinderen en het onderwijzend personeel en administratief personeel met verbeten enthousiasme te behartigen, eigenlijk met te veel geestdrift want op zekere dag ontstond er een conflictsituatie die eindigde met zijn ontslaggeving.' Opnieuw kwam Van Beek in financiële problemen want het Sint-Jozefgesticht was geheel afhankelijk van particuliere liefdadigheid. Na zeven jaar werd het al gesloten. Daarna is Van Beek nog een jaar verbonden geweest aan de Sint-Jacobskerk te Antwerpen. Dit betekende dat hij een geestelijke waardigheid kreeg waaraan inkomsten verbonden waren. Op 14 oktober 1872 overleed Martinus van Beek in het R.K. Gasthuis van Antwerpen na een ziekbed van een tweetal maanden.
Vader: Een niet onbemiddelde landbouwer.
BRON

 

Willem Hendrik Suringar
1790-1872
- opgeleid als predikant.
- 1823 oprichting Nederlandsch genootschap tot zedelijke verbetering der gevangenen.
- 1842 Oprichting van de patronaatsvereniging 'Hulpbetoon aan Eerlijke en Vlijtige Armoede'. Bij de oprichtingsvergadering houdt Suringar een lezing over de beginselen van het patronaat.
- 1844: Suringar was mede-oprichter van de 8e bewaarschool in Amsterdam, de Louiseschool. Mede-bestuurster was zijn echtgenote.
- 1851 Mettray wordt door hem opgericht: 'Zoveel hulpbehoevende en verwaarloosde knapen, mits tot een der Protestantsche kerkgenootschappen behoorende, als de beschikbare fondsen toelaten, in eene Landbouwkolonie te vereenigen en voor hun onderhoud en hunne opvoeding, gedurende eenige tijd te zorgen.'
Vader: Handelskantoor/grossierszaak.
BRON

Oprichting van het ‘Instituut voor Dooven en Stommen’ (dovenklas) in de Broerekerk te Groningen door ds. Guyot.


'H.D. Guyot 1753-1828
Guyot was tijdens een verblijf in Parijs in contact gekomen met de abt Michel de L’Épee, hoofd van de doofstommenschool. Guyot liep enige tijd stage op die school en startte bij terugkomst in Groningen een ‘klasje’. Hij gaf in 1785 zijn eerste lessen aan twee jeugdige doofstommen. Hij deed navraag in en buiten zijn gemeente en er kwamen nog meer doofstommen. Het aantal leerlingen nam toe. Hij huurde in Groningen eerst een kamer om onderwijs te geven. Later huurde hij een etage, toen een huis en tenslotte drie huizen naast elkaar aan de Ossenmarkt. In 1808 was het aantal leerlingen gestegen tot 52 (Jak, 1998, 105). Dit initiatief van Guyot leidde tot het bekende instituut ‘Guyot’, dat in 2009 is opgegaan in ‘Kentalis’. Dominee Guyot maakte van zijn instituut voor doven een onderwijsinstelling met grote faam. ‘Het speciale onderwijs in Groningen was voor 1850 al ver ontwikkeld, compleet met een goede klasse-administratie, leerlingoverleg en begeleiden van onderwijzend personeel. In deze zin had het Doofstommen Instituut de zwakzinnigenzorg en in het bijzonder het zwakzinnigen-onderwijs wel iets te bieden’ (Jak, 1998, 107).'
Brandsma, Jan & Rinus Keyman (red.) (2012). Dr. D. Herderschêe, pionier van het speciaal onderwijs - een groots gedragen gehandicapt leven -. Retro Perspectief Volume 4.  Amersfoort: Agiel, p. 13.

 

  • C. Guyot en R.T. Guyot, Sijstematisch gerangschikte LIJST der WERKEN en GESCHRIFTEN over DOOF-STOMMEN EN ONDERWIJS AAN DOOF-STOMMEN en die Welke Daarmede In Verband Staan met een inhoud en een register, 1824.
    LINK
     
  • Handelingen der jaarlijksche vergadering van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, gehouden den 16den Junij 1828 - Toespraak van de voorzitter, M. Siegenbeek, Levensbericht van H.D. Guyot.
    LINK
     
  • Het ontstaan van de Nederlandse doveninstituten; Van ‘redeloos vee’ tot object van beschaving - Corrie Tijsseling
    LESSEN periodiek van het onderwijsmuseum 2007 nummer 3
    LINK
     
  • 1790 Doven en blinden - Het ontstaan van het pedagogisch optimisme
    LINK

     
  • Timeline of Hearing Devices and Early Deaf Education
    LINK

     
  • Voor een overzicht van kinderspeelgoed vanaf eind 1700: de stichting 'Nederlands Museum Kinderwereld'.
    LINK