| Cornelis Elisa van Koetsveld |
| 24 mei 1807-4 november 1893 |
| - studeerde theologie aan de Universiteit van Leiden. - In 1830 werd hij predikant in Westmaas, daarna in Berkel en Rodenrijs en Schoonhoven en ten slotte in Den Haag. - in 1853 de oprichter van de Haagse Idiotenschool en bleef tot zijn dood voorzitter van het bestuur van deze instelling. - in 1878 werd hij hofprediker. - De Groningse hogeschool kende hem op 20 mei 1865 op voordracht van de theologische faculteit een eredoctoraat in de theologie toe. |
| Vader: wijnkoper. |
| BRON |

'C.E. van Koetsveld 1807-1893
Als predikant gaf Van Koetsveld catechisatie op de scholen en daar had hij zich de achterlijkheid van sommige leerlingen aangetrokken: ‘Ook had hij een meisje dat op haar twaalfde nog geen ‘twee verstandige woorden’ sprak met heldere stem een psalm horen zingen. Toen zij het lied door toedoen van de moeder afbrak, kreeg haar stem iets ‘dierlijks en ijzingwekkends’, bijna als het blaffen van een hond. De tegenstelling tussen het gezang en het geblaf, tussen ‘het hoogste en laagste in de menschenwereld, beide uit kinderlijke mond, dat had mij getroffen’ (in: Mans, 2004, 155). Van Koetsveld was eveneens geestelijk verzorger van het Haagse krankzinnigengesticht. Daar werden ook de idioten opgeborgen. Daar was hem hun eenzaamheid en hulpeloosheid opgevallen te midden van de andere krankzinnigen.
Eens ging Van Koetsveld op huisbezoek bij een arm gezin en zag daar een zwakzinnig kind. Hij vroeg aan de moeder waarom zij het kind thuis hield en niet naar een inrichting bracht. De moeder klaagde haar nood: ‘Ja, dat kost de stad teveel geld: de armmeesters zeggen, dat ze dan mijne bedeeling zouden moeten inhouden. Arme lui moeten zoo maar wat heen tobben. Daar zijn al die dingen niet voor’ (in: Jak, 1998, 111). Wanneer van Koetsveld in 1850 gegevens tracht te verzamelen over het aantal leerlingen (‘candidaten’), dat voor plaatsing op zijn school in aanmerking zou komen schrijft hij het gemeentebestuur aan. Het gemeentebestuur droeg de ‘wijkmeesters’ op de zwakzinnigen in hun wijken op te sporen, maar hun secretaris rapporteerde ‘dat dusdanige voorwerpen te ’s-Gravenhage niet gevonden werden’ (Liefland, 1948, 17). Zo kwam Van Koetsveld als predikant in aanraking met kinderen die in zijn gemeente verstoken bleven van onderwijs. In Schoonhoven, waar hij predikant was voor hij naar ’s-Gravenhage vertrok, leerde hij voor het eerst zwakzinnigen kennen. Hij stelde daar een zondagsschool in en vroeg een ‘verstandelijk beperkte’ jongen, die hij tijdens een huisbezoek had ontmoet, ook te komen. De jongen bleek voor ontwikkeling vatbaar (Bakker e.a., 2010, 658). Van Koetsveld schrijft daar later over: ‘zelf heb ik in mijne vorige gemeente het geheele onderwijs en de godsdienstige opleiding van eenen verregaand onnoozele, die op zijn zestiende jaar nog niet verstandig gaan en staan of zich kleeden kon, met vrij goed gevolg beproefd’ (in: Jak, 1998, 116). Hij verdiepte zich in de zwakzinnigen en bezocht enkele gestichten, onder andere in Zwitserland. Hij verving de aanduiding ‘zielszwak’ door ‘idioot’.* Het accent lag bij Van Koetsveld op de sociale opvoeding: het geschikt maken van de zwakzinnige voor het huiselijk verkeer. Beroepsvorming was voor de meesten te hoog gegrepen. In 1855 richtte Van Koetsveld in Den Haag een ‘idiotenschool’ op. Deze school was bedoeld voor de ‘opvoedbare’ idioten en had als doel de bevordering van lichamelijke, verstandelijke en zedelijke vorming van kinderen die voor het gewone lager onderwijs ongeschikt waren. Een zelfstandig maatschappelijk bestaan was slechts voor weinigen weggelegd.** In 1856 publiceerde C.E. van Koetsveld een beschrijving van kinderen met een cognitieve beperking. Grote bekendheid kreeg dit boek: Het Idiotisme en de Idioten-school. Eene eerste proeve op een nieuw veld van geneeskundige opvoeding en christelijke philanthropie. Van Koetsveld ging uit van de mogelijkheden van de kinderen. Het was voor hem niet een strijd met wat ze niet wilden of konden, maar een zich richten op wat ze wel kunnen en willen: ‘Doel was niet de overwinning op de idioot in de mens, maar de ontwikkeling van de mens in de idioot’ (Mans, 2004, 158). Een sterk geloof in de opvoedbaarheid en maakbaarheid van de mens kenmerkt Van Koetsveld.'
* Het woord ‘idioot’ is afgeleid van het Griekse ‘idios’, dat op zich zelf staand betekent. Van Koetsveld onderscheidde een aantal gradaties in het idiotisme. Een idioot onderscheidde zich van ‘eenvoudige achterlijkheid’, dat werd gekenmerkt door ‘traagheid’ en ‘lichamelijke krachteloosheid’. Een eenvoudig achterlijk kind gaat rustig zijn gang en komt er wel. Dan is er een groep ‘eigenlijke idiotie’. Hier zou de oorzaak in het centraal zenuwstelsel kunnen liggen. Voor deze groep was aangepast onderwijs nodig.
** In 1871 bleek dat slechts 5 van de 156 tot dan toe opgenomen interne leerlingen voldoende hadden leren lezen, schrijven en rekenen om zich in de maatschappij te kunnen handhaven (Mans, 2004, 158).
Brandsma, Jan & Rinus Keyman (red.) (2012). Dr. D. Herderschêe, pionier van het speciaal onderwijs - een groots gedragen gehandicapt leven -. Retro Perspectief Volume 4. Amersfoort: Agiel, p. 13-15.