| Eliza Carolina Ferdinanda Schiotling ook Elise Fleischacker ook Elise van Calcar |
| 19 november 1822–13 juli 1904 |
| - Pedagoge en feministe, schrijfster. - Fleischacker had geen gemakkelijke jeugd. Haar moeder was ongehuwd en ziekelijk en de man met wie zij trouwde, kon niet met geld omgaan, zodat er in het gezin altijd financiële moeilijkheden waren. Zelf had Elise een zwakke gezondheid. Ook het leren in de eerste schooljaren ging moeizaam vanwege problemen met het alfabet. Pas nadat haar moeder hiervoor een spel had ontwikkeld, kon zij de letters uit elkaar houden. Van toen af aan ging haar geestelijke ontwikkeling met sprongen vooruit en las zij, sterk aangemoedigd door haar (stief)vader, veel boeken. Haar grootste wens was onderwijzeres te worden. Op zestienjarige leeftijd slaagde zij voor het examen van secondante (hulponderwijzeres). Haar gezondheid liet het echter niet toe hele dagen les te geven, zodat zij genoodzaakt was naar een andere betrekking uit te zien. Uiteindelijk vond zij werk als gouvernante bij een adellijke familie. - Zij haalde in 1845 het diploma van schoolhouderes. - Werd in 1864 benoemd tot inspecteur: om gezondheidsredenen kon zij deze functie slechts kort vervullen. -Elise van Calcar was in haar Haagse woning een modelkleuterschool begonnen en gaf cursussen aan jonge moeders. - Zij bestudeerde de opvoedkundige ideeën van Fröbel en introduceerde deze in Nederland. Zij gaf cursussen aan onderwijzeressen, richtte in 1863 als leidraad voor de methode Fröbel het tijdschrift De Hoop der Toekomst op en begon in dezelfde periode in Felix Meritis in Amsterdam met een reeks openbare voordrachten over Fröbels opvattingen. |
| Vader: Zij was de dochter van Anna Carolina Fleischacker (vroeger Fleisch Haker), die op 28 februari 1828 in het huwelijk trad met Johannes Schiotling, free lance vertaler, die haar dochter echtte. |
| BRON - BRON |
Link BWSA
Link Onze Ontwikkeling of de magt der eerste indrukken
| Herman Bouman |
| 19 april 1822-17 oktober 1899 |
| Omdat de middelen voor een academische studie ontbraken (er waren nog twee kinderen, een meisje en een jongen), werd hij voor het lager onderwijs bestemd. Hij genoot zijn opleiding aan de kweekschool van Brugsma (die ook de voornaamste leerkracht was) in Groningen en besloot zijn leertijd met het examen van schoolonderwijzer van de tweeden rang. ‘Bij 't verlaten der Kweekschool gaven èn Brugsma èn de schoolopziener Prof. Th. van Swinderen de gunstigste getuigenissen van zijn gedrag, zijne kundigheden, zijn gunstigen aanleg om de opgedane kundigheden ‘op eene bevattelijke en bevallige wijze aan kinderen mee te deelen,’ alsmede ‘van de beroepstrouw en den bestendigen lust,’ waarmee hij twee jaren lang de betrekking van ‘eersten ondermeester in die Kweekschool’ had vervuld.’ Hij werd achtereenvolgens ondermeester te Sappemeer en Groningen en op zijn 23e jaar hoofdonderwijzer te Sellingen in Westerwolde; een jaar later hoofdonderwijzer in Beerta. Hier bleef hij 30 jaren, studeerde veel en deed achtereenvolgens examen voor wis- en zeevaartkunde, voor de akte van ‘onderwijzer van den eersten rang’ (de hoogste bevoegdheid volgens de wet op het L.O. van 1806, waartoe slechts zeer weinigen het brachten); verder voor Frans, Duits en tekenen. In 1859 werden aan zijn school de eerste Normaallessen in de provincie Groningen verbonden, die weldra door dr. Nassau, de inspecteur van Drenthe, als voorbeeld ter navolging zouden worden aangeprezen. Bij al zijn studie en al zijn schoolwerk wist hij tijd te vinden om voorlezingen te houden op Nuts- en Nijverheidsvergaderingen. Bouman was al 48 jaar toen hij zijn oud-leerlinge Mej. Wiepke Geertsema trouwde. ‘Ofschoon 20 jaren jonger, was zij door haar ernstigen aard, haar rijp verstand, haar aesthetischen zin en buitengewone goedheid alleszins geschikt voor de taak om hem volop de lang ontbeerde innigheid van het huiselijk geluk te schenken en ook geestelijk zijn aanvullende wederhelft te zijn.’ Zes jaren na zijn huwelijk in 1876 werd Bouman benoemd tot directeur van de nieuw gestichte gemeente-kweekschool voor onderwijzers en onderwijzeressen te Amsterdam. Dit was vooral op initiatief van wethouder Mr. J.C. de Koning gebeurd. Een schoolgebouw was er nog niet. Een paar jaar lang moest men zich in afwachting daarvan behelpen met een paar ongezellige lokalen in het werkhuis; daarna werd het gebouw aan de Nieuwe Prinsengracht betrokken, naar Boumans aanwijzingen ingericht. ‘Voor den directeur kwam het er nu op aan, zijn organiseerend talent te toonen. Was het reeds geen kleinigheid, eene kweekschool met een dubbel stel klassen saam te stellen en te zorgen, dat de door onze wet noodzakelijk gemaakte vereeniging van theoretische voorbereiding en practijk, zonder te veel schade aan deze of gene zijde niet verbroken werd, eene in veler oog gewaagde onderneming was het, jongelieden van beiderlei kunne tot aan hun 20ste jaar samen te onderwijzen. Doch de ervaring heeft geleerd, dat de getroffen regelingen doelmatig waren en de co-educatie zedelijk heilzaam en intellectueel misschien ook nuttig kan werken. Met betrekking tot dit laatste punt, druk ik mij met opzet voorzichtig uit, omdat de proef niet zuiver was, aangezien de meisjes dooreen genomen uit een gansch anderen stand kwamen en een hooger peil van beschaving meebrachten dan de jongens. Doch hoe dit zij, de verhouding der beide geslachten was onberispelijk, de toon van het geheel welwillend en waardeerend. En hoe zeer de directeur bij allen geacht en bemind werd, bleek herhaalde malen bij verjaarfeesten en andere gelegenheden.’ In 1878 werd hem door de vereniging ‘Volksonderwijs’ opgedragen, onderzoek te doen van het Deensche huisvlijt- en het Zweedsche slöjd-onderwijs. In een hoogst belangrijk rapport gaf hij verslag van zijne bevindingen en drong met kracht aan op het nemen van proeven naar het voorbeeld van Zweden. In 1879 werd hij benoemd tot lid van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde en tot lid van het hoofdbestuur der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. Iets later bood het Nederlands Onderwijzersgenootschap hem het erelidmaatschap aan. Hij was vele jaren voorzitter van de Paedagogische Vereeniging en van het Schoolmuseum. Bouman voerde een verbeterde leesmethode in, waarbij de oude spelmethode door de nieuwere klankmethode werd vervangen. ‘Zoo ging menig jaar in arbeid en stil geluk voorbij, tot ook hij ervaren moest, dat des levens onvermengd genot geen sterveling ten deel valt. Zijn jongste zoontje werd door diphtherie aangetast; optimist als hij was, zag hij het gevaar eerst, toen het hem bereikt had. Binnen eene week stond hij twee malen op het kerkhof, eerst om zijn kind, toen om zijne beste vrouw te begraven, die als slachtoffer harer moederliefde gevallen was.’ ‘Er volgden nog drie jaren van gelukkig samenleven met zijn beide, thans volwassen kinderen en van stille studiearbeid. Den 17den October 1899, een paar dagen nadat hij opgewekt aan eene bestuursvergadering der Paedagogische Vereeniging had deelgenomen, bezweek hij plotseling: een benijdenswaardig einde van een benijdenswaardig leven.’ (Joh. A. Leopold.) Hij heeft talrijke publicaties op zijn naam staan. Een greep daaruit: Vormleer in de lagere school (1858); Opvoeding en Onderwijs (1873); Paedagogiek der lagere school (1877); De eerste schooljaren; nieuwe leesmethode (met 13 platen, 1880); De eerste trap van het leesonderwijs in aanschouwingsoefeningen (met 12 platen); Het gulden kinderboek, en Handleiding bij het aanschouwelijk leesonderwijs (1886). Verder schreef hij vele opstellen in de Schoolbode (door hem en prof. Salverda (die later inspecteur van het Lager en daarna van het Middelbaar Onderwijs zou worden) opgericht. Dit werd op een bepaald moment verenigd met het tijdschrift Pestalozzi), in de ‘Gids voor den Onderwijzer’ en andere tijdschriften. ‘De Schoolbode bracht vooral in zijn eerste jaargangen tal van opstellen, waarin Bouman nieuwe of toen althans voor de meesten nieuwe gezichtspunten opende, of wel oude, haast vergeten denkbeelden van vroegere paedagogen in een warm licht stelde. Hij schreef over het leesboek, welks toenmalig zuiver bellettristisch karakter hem te eenzijdig voorkwam, daar hij aansluiting bij het overige onderwijs wenschelijk achtte; over schoolinrichting en klassenverdeeling; over de macht der moederlijke opvoeding; over de muze der kinderkamer en over de wenschelijkheid om met eene voorbereidingsklasse den overgang te vormen van huis naar de school, om dus tusschen spel en les het spelend leeren en het leerend spel als bindende schakel in te voegen.’ (Joh. A. Leopold.) |
| Vader: Klaas Harms Bouman, behoorde tot een onbemiddelde landbouwersfamilie. |
|
BRON: P.C. Molhuysen en P.J. Blok (red.), Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 1. A.W. Sijthoff, Leiden 1911. BRON: Handelingen en mededeelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, over het jaar 1899-1900. E.J. Brill, Leiden 1900. BRON: J.G. Frederiks en F. Jos. van den Branden, Biographisch woordenboek der Noord- en Zuidnederlandsche letterkunde. L.J. Veen, Amsterdam 1888-1891. |