Op deze website wordt u het overzicht - meer dan - ‘100 jaar Orthopedagogiek’ gepresenteerd.

Deze website is eigendom van het Hermen J, Jacobsfonds
Het Hermen J. Jacobsfonds ondersteunt onder andere projecten op het terrein van het speciaal onderwijs. Hermen J. Jacobs was 30 jaar eindredacteur van het toonaangevende tijdschrift voor het buitengewoon onderwijs en publiceerde tientallen artikelen. Deze en vele andere artikelen kunnen via deze site geraadpleegd worden. Indien u toegang wilt hebben tot de artikelen, kunt u een verzoek sturen aan het secretariaat van het Hermen J. Jacobsfonds via secretariaathjjacobsfonds@gmail.com.

U treft hiernaast als eerste het onderdeel
'<< 1909' aan. U komt via deze 'knop' bij
de gebeurtenissen voorafgaand aan 1909, het oprichtingsjaar van - de voorlopers van - het Tijdschrift voor Orthopedagogiek.
Daar kunt u via de 'knop' '>>1909' naar de huidige pagina terugkeren.
Hiernaast wordt het overzicht van 1909 tot en met het huidige jaar weergegeven.

Binnen dit jaaroverzicht wordt een 5-tal categorieën weergegeven, te weten:
 

  •  
    Wetten en regelingen
  •  
    Gebeurtenissen
  •  
    Ontwikkelingen in het veld
  •  
    Artikelen
  •  
    Ontstaansgeschiedenis

    Zie voor verdere informatie:
    Colofon - Disclaimer - Over (rechts - onder)

100 Jaar - 1859

  • VERSLAG VAN DEN STAAT DER HOOGE, MIDDELBARE EN LAGERE SCHOLEN IN HET KONINGRIJK DER NEDERLANDEN OVER 1859 - 1860.
    LINK
     
  • Algemene volkstelling: Nederland telde circa 30.000 ouderloze kinderen. Hiervan verbleven er ruim 10.000 in 232 gestichten.
  • Charles Darwin publiceert 'On the Origin of Species' op 24 november.
  • Gaston Planté, een Franse natuurkundige, vindt de loodzuurbatterij uit.
  • Jean-Joseph-Étienne Lenoir: compressiemotor.
  • Edwin Drake: olieboor.
(Hindericus) Rieks Scheepstra
17 maart 1859–8 mei 1913
Hij doorliep de Rijkskweekschool voor onderwijzers in Groningen. Om toegelaten te worden moest hij nog een aantal lessen volgen. Die volgde hij in het naburige dorp Peize waar hij te voet, vanuit Roden, heen ging. Hij ontwikkelde op zijn voettochten liefde voor de natuur. Na enkele jaren als onderwijzer werkzaam te zijn geweest werd hij hoofd van een school in Dokkum en later werd hij hoofd op een school in Arnhem. In 1894 kwam hij weer terug op de Rijkskweekschool in Groningen, nu als leraar in Nederlandse taal en pedagogiek. Hij werd directeur van de Rijksnormaallessen, redacteur van het periodiek Schoolwereld en schreef de verhalen over ‘Ot en Sien’.
Vader: Winkelier Hindrik Scheepstra.
BRON
(Gerard) Jan Ligthart
11 januari 1859-16 februari 1916
Ligtharts vader verloor als kind beide ouders. Jan groeide op  in de  Amsterdamse volksbuurt De Jordaan. Hij was geen kind waarvan de ouders of leerkrachten vonden dat hij met een beurs naar de Rijkskweekschool in Haarlem kon om opgeleid te worden tot leerkracht. Jan werd op zijn 13de hulpje aan een lagere school - kwekeling -, en volgde in de avonduren de opleiding voor onderwijzer bij de 'lesmeester', Willem Degenhardt. Hij deed een eerste vergeefse poging de bevoegdheid te krijgen aangesteld te kunnen worden als hoofd van een school en slaagde bij de tweede. In 1885 wordt hij aangesteld als hoofd van de school in de Tullinghstraat in Den Haag.
Vader: Onbemiddeld gezin.
BRON: Cornelis Oostwal, Onderwijs en opvoeding tussen 1900 en 1945.
BRON

Jan Ligthart in de Tullinghstraat Den Haag

Carl Friedrich August Zernike
1859-1922
Schoolhoofd en pedagoog, hoofd van de Vondelschool. Was voorzitter van de Vereniging van hoofden van scholen. Hij schreef Herbart-studiën in de eerste drie jaargangen en de vijfde jaargang van Oud en Nieuw. Ook schreef hij een artikelenreeks over Concentratieplannen.
Vader: Vermoedelijk kleermaker.
BRON
Dirk Johannes Blok
1859-1938
Kwam in 1877 als student naar Amsterdam en ging 2 jaar later naar Leiden. Na zijn artsexamen werd hij eerste assistent in het ooglijdersziekenhuis in Utrecht en vervolgens oogarts in Rotterdam. Na zijn pensioen in 1924 ging hij naar Oegstgeest.
Hij gaf o.a. onderwijzers les in schoolhygiëne en was betrokken bij vele verenigingen. Had met Van Tusschenbroek en Mej. De Jong hierover een leerboek gepubliceerd. Hij hield in 1894 een inleiding over de benoeming van schoolartsen waarna de Rotterdamse afdeling van de BvNO instemde met een motie die benoeming van schoolartsen wenselijk verklaarde. Blok had aangegeven dat medische inspectie veel leed kon voorkomen. De inspanningen van onder meer zijn Duitse collega H. Cohn uit Breslau, die vanaf 1866 had geijverd voor een nationaal netwerk van schoolartsen, dienden hem als voorbeeld. Blok benadrukte dat onderwijzers en schoolopzieners hygiënische kennis ontbeerden. De publicatie van zijn voordacht tilde het debat over de aanstelling van schoolartsen naar het nationale niveau. In alle belangrijke medische en pedagogische tijdschriften discussieerde men er vervolgens over.
In dit klimaat stelde de Nederlandsche Maatschappij ter bevordering der Geneeskunde (NMG) een commissie in om de zaak te bestuderen. Blok werd een van de leden. Om zich te informeren over de hygiënische omstandigheden op de scholen stuurde men een enquête aan een groot aantal schoolhoofden, waarin ook een vraag was opgenomen over de wenselijkheid van het aanstellen van schoolartsen. Zo’n 350 hoofden retourneerden de vragenlijst: de meesten zagen ‘de wenschelijkheid, zeer dikwijls de noodzakelijkheid van de uitbreiding van het geneeskundig toezicht in’, aldus het rapport. Gespecialiseerde artsen zou men graag op school ontvangen en voor medisch-hygiënische adviezen stonden men open. De commissie vroeg ook medici uit lokale schoolcommissies naar hun oordeel.
De algemene conclusie van het onderzoek luidde dat de schoolhygiëne een ‘groot en ten deele nog braakliggend veld’ was, dat wachtte op ‘ijverige arbeiders’. De zorg voor het welzijn van het schoolkind was ‘geen luxe-artikel’ maar een ‘levensvoorwaarde (...) voor het opkomende geslacht’, zo concludeerde de commissie.
BRON: NTVG, 25 november 1933.
BRON: Fedor de Beer & Nelleke Bakker,  De gevaren van het schoolgaan. Over het ontstaan van de schoolgezondheidszorg in Nederland (ca. 1900).
BRON: Fedor de Beer, Witte jassen in de school: de schoolarts in Nederland ca. 1895-1965.
Johannes Hermanus Gunning (Wzn.)
1859–1951
Als oudste zoon ontving hij een ongewone opvoeding. Als dertienjarige woonde hij in 1872 een half jaar in Parijs, waar hij het Collège Municipal Chaptal bezocht. Daarna verbleef hij een jaar in Heidelberg, bij zijn oom Allard Pierson.
Van 1873 tot 1877 bezocht hij het ‘Amsterdamsch Gymnasium’, waarna hij klassieke talen studeerde aan de Universiteit van Amsterdam. In juni 1882 behaalde hij zijn doctoraal en aanvaarde hij een betrekking als leraar Grieks en Latijn aan het Gymnasium in Utrecht, waar hij ook ging wonen. In zijn vrije tijd werkte Gunning aan zijn proefschrift De Babyloniis Aristophanis fabula, waarop hij in december 1882 in Amsterdam bij S.A. Naber cum laude promoveerde.
In 1888 werd Gunning conrector van het Gymnasium in Zwolle, in 1896 werd hij bevorderd tot rector, nadat een begeerlijke post als rector van het Amsterdamsch Gymnasium (in die tijd inclusief het buitengewoon hoogleraarschap in de pedagogiek aan de Gemeentelijke Universiteit) die door hem aanvaard was, niet doorging omdat het curatorium van het Amsterdamsche gymnasium dat het rectoraat aangeboden had de dag erna ontslag nam omdat de gemeenteraad een andere beslissing nam.
Gunning besloot in 1898 terug te keren naar Utrecht, waar hij aan de universiteit werd toegelaten als privaatdocent in de praktische en theoretische pedagogiek. Voordat hij in dit vak colleges ging geven, ging hij naar Jena om zich daar aan de universiteit in de pedagogiek en psychologie te bekwamen. Gunning had weliswaar al het een en ander over onderwijs en opvoeding gepubliceerd, maar er nog geen systematische studie van gemaakt. Begin 1900 begon hij zijn colleges als privaatdocent in Utrecht. Hij opende zijn colleges openend met een rede, die grotendeels afkomstig was uit zijn eerste bundel Verzamelde Paedagogische Opstellen wat herdrukt werd als De Paedagogiek aan de Universiteit.
In 1902 aanvaardde Gunning een functie als schoolopziener voor het district Amsterdam, vooral om zijn gezin meer bestaanszekerheid te bieden, in 1904 verplaatste hij ook zijn privaatdocentschap naar deze plaats. Bij de aanvaarding van deze functie op 5 oktober 1904 aanvaardt hij het ambt van privaat-docent met de rede 'De verantwoordelijkheid van den leeraar'. Aangezien hij maar weinig studenten trok, zou het schoolopzienerschap jarenlang zijn voornaamste betrekking blijven. Inmiddels had Gunning zich op pedagogisch gebied een zekere reputatie verworven. Dat bleek bijvoorbeeld uit zijn benoeming in 1903 in het Algemeen College van Toezicht, Bijstand en Advies voor het Rijks- Tucht- en Opvoedingswezen, waar hij tot 1945 deel van zou uitmaken.
In 1917 neemt Gunning ontslag in Amsterdam en vertrekt opnieuw naar Utrecht, inclusief zijn privaatdocentschap. Door de reputatie die hij inmiddels had opgebouwd en omdat hij met een zeer kleine vergoeding genoegen wilde nemen ging de Utrechtse universiteit er in 1923 toe over hem te benoemen tot buitengewoon hoogleraar, aanvaard met zijn rede: Pro Domo. De 64-jarige Gunning werd hiermee niet de eerste, maar wel de eerste door de rijksoverheid betaalde hoogleraar in de pedagogiek in Nederland. Ondanks geringe aantallen studenten vervulde hij dit ambt tot 1931, de twee jaar die volgden op zijn emeritaat, deed hij dit ad interim.
Gunnings status was toen zo onaantastbaar, dat hij bij vrijwel elk initiatief op pedagogisch terrein was betrokken. Zo had hij vanaf de oprichting in 1919 zitting in de Onderwijsraad. Tevens maakte hij deel uit van het curatorium van de bijzondere leerstoel pedagogiek aan de Universiteit van Amsterdam vanwege de Maatschappij tot Nut van ’ t Algemeen. Tot zijn spijt werd niet hij, als pedagoog, maar de fysicus en filosoof Ph. A. Kohnstamm hier benoemd. Met laatstgenoemde onderhield hij niettemin goede betrekkingen. Samen met Kohnstamm maakte hij vanaf de oprichting in 1920 deel uit van de redactie van het tijdschrift Paedagogische Studiën.
Zijn ‘opvoeding van de daad’ werd vooral beïnvloed door het goede voorbeeld. Gunning zag het gezin als het belangrijkste opvoedingsmilieu, ook al moest hij erkennen dat sinds de negentiende eeuw een groter aantal opvoedingstaken aan het ‘natuurlijk instituut’ van het gezin was onttrokken en aan het ‘kunstmatig instituut’ van de school was toegewezen. Gunning is bekend van de omschrijving 'tedere strengheid'.
Hij was redacteur van Het Kind.
Vader: Jan Willem Gunning, hoogleraar scheikunde; een vooraanstaand academisch gezin.
BRON

  • De 'Maatschappij van Weldadigheid' - zie 1818 - gaat failliet. In 1869 wordt de laatste weesinrichting in Veenhuizen ontruimd.
  • 'Algemeene Supplementsschool voor spraakgebrekkige en achterlijke kinderen' in Utrecht – F.Y. Kingma -. Enkele jaren hierna - 1862 - verhuist deze school naar Amsterdam.
  • Oprichting St. Henricus in Grave (Rooms-Katholiek), een instelling voor opvoeding en onderwijs aan blinde jongens. Hier werd voor het eerste het brailleschrift toegepast.
    De stamboom van Sensis
    LINK