LINK
Download| Géza Révész |
| 1878-1955 |
| Hongaars-Nederlands psycholoog. Hij studeerde rechten in Boedapest en promoveerde in 1902 op het juridische proefschrift Das Trauerjahr der Witwe. Hij vervolgde zijn studie aan verschillende Duitse universiteiten, o.a. in Göttingen. Hier studeerde hij psychologie bij Georg Elias Müller en promoveerde onder hem in 1905 met het proefschrift 'Über die vom weiss ausgehende Schwägung der Wirksamkeit farbiger Lichtreize'. In 1906 keert Révész terug naar Boedapest. In 1920 vertrok hij uit Hongarije en komt mede op uitnodiging van Gerard Heymans naar Nederland. Aan de Universiteit van Amsterdam kreeg hij een aanstelling als privaat-docent. Zijn onderzoek ging zich op de tastzin richten. Vanaf 1922 is hij als docent 'psychologie van het bedrijfsleven' verbonden aan de Faculteit der Handelswetenschappen die in dit jaar was opgericht aan de Universiteit van Amsterdam. In 1932 wordt Révész aan de Universiteit van Amsterdam benoemd tot buitengewoon hoogleraar in de psychologie binnen de faculteit wis- en natuurkunde. Van een eigen psychologische faculteit was in 1932 nog geen sprake. 1932 Mag gelden als het beginjaar van de psychologie als zelfstandige discipline aan de Universiteit van Amsterdam. In dat jaar werd de leerstoel van De Boer gesplitst in een leerstoel Wijsbegeerte en een leerstoel Psychologie. Voor de vervulling van het professoraat Wijsbegeerte werd dr. H.J. Pos aangetrokken. Het Psychologisch Laboratorium waarover Révész de directie voerde, kreeg een onderkomen op de eerste verdieping van het kantoor van de Gemeenteontvanger op de Herengracht 91. Hier kreeg hij de beschikking over zeven kamers, die vooralsnog voldoende ruimte leken te bieden voor de twee - en na de aanstelling van de net gepromoveerde psycholoog H.C.J. Duijker in 1938 drie - assistenten en de zeven hoofdvakstudenten, die in de eerste zeven jaar de studie psychologie vorm zouden geven. Niettemin bestond er bij de staf wel vanaf het begin een behoefte aan een verdere professionalisering van de discipline. In december 1939 verhuisde psychologie naar de Keizersgracht 613, waar Révész de beschikking kreeg over een echt laboratorium, met verschillende werkruimtes, een donkere kamer, een collegezaaltje en een observatieruimte met een zogenaamd 'one-way-vision-screen'. In die tijd was hij o.a. promotor van Adriaan de Groot. Hij werkt daar met Philip Kohnstamm en in 1938 vangen ze daar de uit Duitsland gevluchte Otto Selz op. in 1945 meldden er zich maar liefst 125 studenten aan, waardoor Révész en zijn staf zich genoodzaakt zagen om organisatorische maatregelen te treffen. Binnen het Psychologisch Laboratorium werden twee afdelingen gecreëerd, waarover zijn eerste assistenten, de lectoren Maria Bos en J. Huiskamp, de scepter gingen zwaaien. Zij kwamen aan het hoofd te staan van de afdeling 'Kinderpsychologie' respectievelijk 'Psychotechniek'. Révész zelf bleef het onderwijs in de 'Algemene Psychologie' verzorgen, waarvoor verder geen speciale afdeling werd ingericht. In 1949 werd de tweede hoogleraar psychologie aangesteld, namelijk H.C.J. Duijker, die zich ging toeleggen op de 'Experimentele Psychologie'. Met David Katz richtte Révész in 1935 het tijdschrift Acta Psychologica op. In 1950 nam hij afscheid van het Psychologisch Laboratorium. |
| Vader: Bezitter van een beroemde wijngaard. |
| BRON |
| Johannes Hendrikus Everardus Jacobus Hoogveld |
| 1878–1942 |
| Bezocht het Nijmeegse Dominicuscollege. Daarna de seminaries van het aartsbisdom Utrecht te Culemborg en Rijsenburg. Na zijn priesterwijding (1902) volgde de wetenschappelijke vorming aan het Angelicum te Rome, afgesloten door een promotie in de wijsbegeerte en godgeleerdheid. Hij werd benoemd tot docent in de wijsbegeerte en de empirische zielkunde aan het Culemborgse seminarie (1906-1921). Tevens aanvaardde hij in 1915 het verzoek, aan de zojuist opgerichte RK Leergangen te 's-Hertogenbosch (later: Tilburg) onderwijs in de pedagogiek te geven. Tot 1932 doceerde hij aan de Leergangen de opvoedkunde, waarbij de meer 'praktische' delen van het vak, zoals de didactiek, steeds buiten het onmiddellijke terrein van zijn werkzaamheden bleven. De hem in 1923 als deel van zijn leeropdracht aan de Katholieke Universiteit toegewezen 'algemene paedagogiek' zou dezelfde stof omvatten als die waartoe Hoogveld zich te Tilburg beperkte. Van huis uit was hij filosoof. Hij was rond 1920 redacteur van het mede door hem opgerichte tijdschrift De Beiaard. Vanaf 1918 schreef hij ook menig opstel als redacteur van het Tijdschrift voor zielkunde en opvoedingsleer, een uitgaaf van het Psychologisch- en Paedagogisch Instituut der RK Leergangen. Toen er in 1923 een RK Universiteit kwam die in Nijmegen werd gevestigd werd hij hier tot hoogleraar benoemd. Hoogvelds leeropdracht omvatte in de literaire faculteit de inleiding tot de wijsbegeerte, logica, critica, zielkunde, algemene metafysica, algemene ethiek en algemene pedagogiek. |
| Vader: Welgestelde landbouwer. |
| BRON |