LINK| Theodorus Johannes Thijssen |
| 1879–1943 |
| Hij groeide op in de Amsterdamse Jordaan, in de schaduw van de Westertoren, waar zijn vader een schoenwinkel met werkplaats had. De eerste tien jaar van zijn leven woonde hij in de Eerste Leliedwarsstraat, vervolgens twee jaar in de Runstraat, net buiten de Jordaan tussen de Prinsen- en Keizersgracht. Net als Kees Bakels verloor ook hij al vroeg zijn vader. Deze stierf in december 1890 na een ziekte van twee jaar aan tuberculose. Kort voor zijn dood was de schoenwinkel opgedoekt en had zijn echtgenote een kruidenierszaak met brooddepot geopend in de Pijp, een betrekkelijk nieuwe arbeidersbuurt. Omdat de winkel slecht liep, verruilde zij - zij was toen 32 - de zaak in januari 1891 voor een soortgelijke winkel op de Brouwersgracht, de noordrand van de Jordaan. Van 1894 tot 1898 bezocht Thijssen, met een rijksbeurs bestemd voor zeer goede maar minvermogende leerlingen, de Rijkskweekschool te Haarlem, bijgenaamd De Bak. Hier werd hij hoofdredacteur van het sinds één jaar bestaande leerlingenblad Baknieuws. Onder zijn leiding groeide dit al na enkele maanden uit tot een landelijk kwekelingenblad. De Haarlemse kweekschooldirecteur beschouwde het blad als subversief en vaardigde een verbod uit. Daarop droeg Thijssen het hoofdredacteurschap zogenaamd over aan een leerling van de gemeentelijke kweekschool te Amsterdam. Sindsdien verschenen zijn artikelen onder diverse schuilnamen. In 1898 keerde Thijssen in het bezit van een onderwijsakte terug naar Amsterdam. Hij trok weer in bij zijn moeder, broers en zussen, die inmiddels waren verhuisd naar Amsterdam-West. Dat najaar kreeg hij zijn eerste betrekking op een school in Amsterdam-Oost. In dat stadsdeel vond hij ook zijn volgende onderwijsbanen. Het langst - zestien jaar - werkte hij op een 'kosteloze' openbare school (zonder schoolgeld; voor kinderen uit arbeidersgezinnen) in de Tweede Boerhaavestraat, aan de rand van het Oosterpark. In 1901 verscheen zijn eerste bijdrage aan het blad School en Leven van Jan Ligthart. Van 1905 tot 1917 redigeerde hij samen met kweekschoolvriend Piet Bol het door henzelf opgerichte blad De Nieuwe School, Tijdschrift voor Practische Paedagogiek. Zij ijverden in dat blad vooral voor meer waardering en maximale autonomie voor de gewone klasseonderwijzer. Die werd naar hun mening bedreigd door onder meer bemoeizuchtige schoolhoofden, schoolopzieners en generaliserende boekjes over onderwijs en opvoeding. Binnen de eigen klas was de klasseonderwijzer volgens Thijssen en Bol de grootste pedagogische autoriteit. Hij kende beter dan wie ook het karakter en de sociale omstandigheden van zijn leerlingen en hij wist wat hijzélf wel en niet kon: 'De paedagogiek wordt bepaald door het gemiddelde van de klasse en de persoonlijkheid van de onderwijzer. De onderwijzer met sterke individueele eigenaardigheden heeft dus aan de normaal-psychologische paedagogiek niets. De man moet werken bij intuïtie, d.w.z. het juiste weten te treffen, doordat hij de kinderen beoordeelt naar z'n eigen individualiteit - en doordat de ervaring in de klasse hem zegt, wanneer hij mistast'. Ook het type van de streberige onderwijzer moest het ontgelden in De Nieuwe School: de schoolmeester die voortdurend bezig was met het halen van nieuwe onderwijsaktes om zo snel mogelijk schoolhoofd of onderwijzer op een Hoogere Burger School te worden. In 1915 werd hij mederedacteur van het bondsblad De Bode, samen met J. Ek en J. Joosse. In datzelfde jaar assisteerde hij partijleider P.J. Troelstra bij het schrijven van de onderwijsparagraaf van het SDAP-verkiezingsprogramma. In 1921 droeg de Amsterdamse afdeling van de BvNO Thijssen voor als lid van het hoofdbestuur en tevens bezoldigd redacteur van de bondsbladen. Hij werd verkozen en zei, na bijna een kwart eeuw, het onderwijzerschap vaarwel. In het hoofdbestuur kreeg hij de functie van tweede secretaris. Sindsdien redigeerde hij naast De Bode (over salariskwesties, de klassenschaal en dergelijke) ook het nieuwe pedagogische weekblad School en Huis, bedoeld om ouders van leerlingen te interesseren voor de school en hen te doordringen van het nut van de onderwijzersbond. Van 1921 tot 1925 maakte Thijssen deel uit van de Onderwijscommissie van de SDAP, die zich onder meer boog over het vraagstuk van de schoolhervorming, met name de waarde van het Montessori- en het Daltonsysteem. Sinds 1924 was hij bestuurslid van het Instituut voor Arbeiders-Ontwikkeling (IvAO). Op 21 oktober 1926 hield hij een inleiding over 'De Moderne Arbeidersbeweging en het Volks-Onderwijs', wat later uitgegeven werd als brochure (Amsterdam 1926). Hij pleitte daarin voor verlenging van de leerplichtige leeftijd van twaalf tot veertien jaar. Tot dan moesten alle kinderen eenzelfde opleiding krijgen 'omdat pas na de veertienjarige leeftijd genoegzame gegevens voor de keuze van de vakopleiding of beroepsrichting aanwezig zijn'. In augustus 1928 behoorde Thijssen te Parijs tot de oprichters van de Internationale Federatie van Onderwijzers, onder de hoede van het Internationaal Verbond van Vakverenigingen. In april 1928 presideerde hij in Wenen een vergadering van deze onderwijzers-internationale. In 1930 werd hij, na felle kritiek op de zittende secretaris van de BvNO, S.N. Posthumus, bevorderd tot eerste bondssecretaris. Dat bleef hij tot 1933, toen hij op voordracht van het NVV voor de SDAP lid werd van de Tweede Kamer, als onderwijspecialist. In 1935 werd hij bovendien lid van de Amsterdamse gemeenteraad. |
| Vader: Schoenmaker/winkelier. |
| BRON |
De gelukkige klas van Theo Thijssen (1879-1943) - Peter-Paul de Baar
LESSEN periodiek van het Onderwijsmuseum 2007 nummer 3
LINK