| Na het gymnasium te hebben doorlopen ging hij in 1911 medicijnen studeren aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam. Zeven jaar later legde hij daar zijn semi-artsexamen af. Zijn eigenlijke opleiding tot zenuwarts ontving Rümke in de Amsterdamse Valeriuskliniek, bij Leendert Bouman, hoogleraar theoretische biologie, psychiatrie en neurologie aan de Vrije Universiteit. Zijn proefschrift was getiteld Phaenomenologische en klinisch-psychiatrische studie over geluksgevoel. Aangezien Bouman aan de Vrije Universiteit niet het ius promovendi bezat, promoveerde Rümke hierop bij C. Winkler, hoogleraar in de neurologie en psychiatrie aan de Rijksuniversiteit te Utrecht, op 5 juni 1923. Deze dissertatie was de eerste omvangrijke Nederlandse publicatie over het gebruik van de fenomenologische methode in de psychiatrie en als zodanig een mijlpaal. Hij werd psychiater en verwierf internationale faam op gebied van de geestelijke gezondheidszorg; hij bediende zich daarbij van de zogeheten 'fenomenologische methode'. Hoewel afkomstig uit een volstrekt buitenkerkelijk gezin, vond hij geloof en religiositeit onmisbare elementen in het menselijke ontwikkelingsproces. Eind 1927 vroeg K.H. Bouman, de hoogleraar psychiatrie en neurologie aan de Universiteit van Amsterdam, hem in zijn polikliniek te komen werken. Rümke accepteerde het aanbod en werd in 1928 eerst assistent, later chef de clinique in het Amsterdamse Wilhelmina-Gasthuis ('Paviljoen Drie'). Hij is de grondlegger van de persoonlijkheidsleer. Belangrijk voor zijn reputatie als psycholoog was zijn boek Inleiding in de karakterkunde uit 1929, een eerste Nederlandstalig overzicht van wat later persoonlijkheidsleer zou worden genoemd. Bij Rümke omvatte het echter meer, omdat hij bijvoorbeeld ook veel aandacht schonk aan de biologisch gegeven constitutie. Reeds in deze tijd vindt men bij Rümke - en dat zal karakteristiek voor hem blijven - een brede oriëntering binnen de psychiatrie en een weigering zich vast te leggen op één bepaalde richting. In 1933 werd Rümke op voordracht van L. Bouman benoemd tot conservator van de Utrechtse psychiatrische en neurologische kliniek en tot bijzonder hoogleraar in de ontwikkelingspsychologie. Hij is leermeester van Van den Berg en promotor van Van Lennep. Na Boumans overlijden in 1936 besloot de faculteit, in navolging van wat elders reeds was geschied, diens leerstoel te splitsen. W.G. Sillevis Smitt werd benoemd als ordinarius voor de neurologie, terwijl aan Rümke de psychiatrie werd toevertrouwd. Voor de psychologie in Utrecht is Rümke ook anderszins belangrijk gebleven: hij was jarenlang verantwoordelijk voor de inleiding in de psychopathologie. Van ongeveer 1950 tot 1958 is hij bovendien lid geweest van de examencommissie psychologie. Na zijn emeritaat in 1963 werd Rümke uitgenodigd een jaar gasthoogleraar te zijn aan de universiteit van Ann Arbor in de Verenigde Staten. |