LINK
| Philip Idenburg |
| 1901-1995 |
| Idenburg promoveert in 1928 op een proefschrift over de staat en het volksonderwijs en werkt vanaf 1929 als hoofd van de nieuwe afdeling onderwijsstatistiek bij het Centraal Bureau voor de Statistiek. Zijn schoonvader Kohnstamm stimuleerde zijn belangstelling voor het onderwijs. Totdat Minister van onderwijs Gielen de functie ophief was Idenburg directeurgeneraal van het onderwijs, onder Minister Van der Leeuw - in 1946 -. In 1965 werd hij de eerste voorzitter van de Stichting Onderzoek van het Onderwijs. Idenburg bekendste publicaties zijn: Schets van het Nederlandse schoolwezen - 1960 - en Theorie van het Onderwijsbeleid - 1971 -. |
| BRON: Ivo van Hilvoorde, Grenswachters van de pedagogiek. |

Zie 1947 - Gebeurtenissen: Dr. Ph.J. Idenburg, directeur van het Centraal Bureau voor de Statistiek, vertelt, vanachter zijn Haagse bureau, aan de kijkers hoe belangrijk de volkstelling van 1947 is en verzoekt hen daaraan zo goed mogelijk mee te werken. In zijn betoog zijn o.a. meegemonteerd shots waarmee de situatie van Nederland anno 1947 wordt gekarakteriseerd m.b.t. huisvesting: er zijn Nederlanders in de voormalige oorlogsgebieden bijvoorbeeld die nog pover gehuisvest zijn in keten, stallen, bunkers en onbewoonbaar verklaarde woningen. Daarnaast shots van bouwvakkers die aan het werk zijn (metselaar, timmerman, stucadoor).
| Arie Querido |
| 1901-1983 |
| In Amsterdam doorliep hij de lagere en middelbare school, waarna hij aan de Universiteit van Amsterdam geneeskunde studeerde van september 1918 tot februari 1926. Tijdens de studie raakte hij vooral geboeid door de neurologie en psychiatrie, zoals deze gedoceerd werden door respectievelijk de hoogleraren J.K.A. Wertheim Salomonson en K.H. Bouman. Toch richtte hij zijn belangstelling aanvankelijk op de elektrofysiologie. Na het kandidaatsexamen verwierf hij een plaats als studentenassistent op het Fysiologisch Laboratorium, dat onder leiding stond van prof. G.A. van Rijnberk. Na het behalen van het doctoraal examen (1923) verrichtte hij met een beurs van de Netherland-America Foundation en de Rockefeller Foundation, gedurende een jaar, elektrofysiologisch onderzoek aan de Harvard University te Cambridge (VS) onder leiding van Alexander Forbes en W.B. Cannon. Het concept betreffende fysiologische homeostase van Cannon heeft bij Querido een belangrijke invloed uitgeoefend op zijn latere ideeën betreffende psychosociaal evenwicht. Teruggekeerd in Amsterdam voltooide hij zijn medische studie en legde hij in februari 1926 het artsexamen af. Hij werd aangesteld als wetenschappelijk assistent op het Fysiologisch Laboratorium en promoveerde nog in hetzelfde jaar bij prof. Van Rijnberk op het proefschrift Over de werking van veratrine op dwars-gestreept spierweefsel (Amsterdam, 1926). Hij nam een uitnodiging aan van de Leidse psychiater prof. G. Jelgersma - vermoedelijk op voorspraak van prof. K.H. Bouman - om als tweede geneesheer in dienst te treden van de Leidse psychiatrische inrichting 'Endegeest' te Oegstgeest (februari 1927). Al spoedig ontwikkelde zich in Querido een kritische houding ten aanzien van de inhoud van de gestichtspsychiatrie ('de diagnose was alles, de therapie een achteraan hinkende gedachte'). Ook de freudiaanse psychoanalyse, waarvan K.H. Bouman en nog meer Jelgersma in Nederland belangrijke exponenten waren en die door laatstgenoemde ook op de psychotische patiënten van 'Endegeest' werd toegepast, kon bij Querido geen enthousiasme wekken. Wel raakte hij in de ban van de 'nachgehende Fürsorge', die in Duitsland na de Eerste Wereldoorlog werd ontwikkeld ter begeleiding van ontslagenen uit krankzinnigeninrichtingen. Zijn eerste blijk van belangstelling voor ambulante geestelijke gezondheidszorg vormt het medeoprichterschap van het Amsterdamsche Consultatiebureau voor Moeilijke Kinderen in 1928. Querido kreeg de kans zijn nieuwe ideeën in praktijk te brengen toen hij op 1 juni 1931 - aanvankelijk als plaatsvervangend hoofd, twee jaar later als hoofd - werd aangesteld bij de Afdeeling voor Zenuw- en Geesteszieken van de GGD Amsterdam. Als belangrijkste taak kreeg hij de verantwoordelijkheid voor de Amsterdamse psychiatrische patiënten, die, bij gebrek aan een eigen gemeentelijke inrichting, wijd en zijd over het land in psychiatrische gestichten werden verpleegd. Binnen enkele jaren zag hij kans het aantal opgenomen patiënten drastisch te verminderen. In die tijd bezocht hij ook alle zesenveertig families die in Zeeburgerdorp woonden, een woonschool in het oostelijk havengebied van Amsterdam. In zijn publicatie hierover gebruikt Querido voor het eerst de term sociale psychiatrie, en daarmee schreef hij geschiedenis. Hij voegde een derde dimensie toe aan het denken over geestelijke gezondheidszorg: 'Als arts ben je gewoon in twee dimensies, soms zelfs in één, te denken en te redeneren: het somatische, en misschien nog een beetje het psychische. Hier komt ineens die derde dimensie, de sociale.' Zowel voor- als nazorg kreeg nu de nodige aandacht, en hieruit ontwikkelde zich een gemeentelijk apparaat voor sociale psychiatrie, die de ambulante zorg voor psychiatrische patiënten op zich nam. In 1936 werd de afdeling omgedoopt in Afdeeling voor Geestelijke Hygiëne. Na de Tweede Wereldoorlog opende zich voor Querido de mogelijkheid zijn arbeidsterrein en zijn blikveld aanzienlijk te vergroten, toen hij op 4 mei 1949 werd benoemd tot directeur Openbare Gezondheidszorg van de gemeente Amsterdam. Deze nieuwe dienst, onafhankelijk van de GGD, had als taak het gemeentebestuur te adviseren, in het bijzonder ten aanzien van de coördinatie van de gemeentelijke en particuliere instellingen voor gezondheidsvoorzieningen. Vanaf december 1951 combineerde Querido deze functie met een buitengewoon hoogleraarschap in de sociale geneeskunde aan de Universiteit van Amsterdam. In de combinatie van beide functies leidde hij veel evaluerend onderzoek, o.a. met betrekking tot verwijzingsmethodiek van huisartsen, zwangerschapszorg en schoolartsendienst. Op 1 oktober 1960 legde Querido het directeurschap neer en werd hij gewoon hoogleraar. Zijn wetenschappelijke belangstelling richtte zich nu meer op sociaal-psychologische factoren die bij de gehospitaliseerde patiënten een rol spelen. Op 16 januari 1970 kreeg hij op eigen verzoek ontslag als hoogleraar; hij kon zich niet langer vinden in de turbulente universiteit, waarbij hij zowel kritiek had op de houding van zijn medehoogleraren als op die van de studenten. Zijn leven lang is Querido het socialistische ideaal trouw gebleven. Als student was hij actief lid van de Studentenvereeniging voor socialistische lezingen, en na de oorlog trad hij toe tot de Partij van de Arbeid. Namens deze partij was hij van 1958 tot 1970 lid van de Eerste Kamer van de Staten-Generaal, nadat hij eerst lid was geweest van de sectie Gezondheidszorg van de Wiardi Beckman Stichting. Als senator baarde Querido opzien door als enige lid van de Eerste Kamer tegen het ontwerp van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (1967) te stemmen, dat hij als een onbezonnen 'opbergsysteem voor hopeloze patiënten' beschouwde. Naast en na deze functies heeft Querido, 'een kleine zeer kwieke man met scherpe ogen, onder de grijze wenkbrauwen' (aldus de journalist A.J. Heerma van Voss), nog vele andere taken vervuld, zoals het voorzitterschap van de Nationale Federatie voor de Geestelijke Volksgezondheid (1952-1967) en bestuurslid en later gedelegeerd lid namens de wetenschappelijke adviescommissie van het Preventiefonds (tot 1979). Gedurende 25 jaar was hij redacteur van het Maandblad voor de geestelijke volksgezondheid. |
| Vader: Emanuel Querido, uitgever: 'uiterlijk klein-burgerlijk met een smalle materiële basis, innerlijk sterk onder de invloed van kunstzinnige en ideaal-socialistische factoren'. |
| BRON - BRON |

Endegeest 1928

Endegeest munten


LINK