Op deze website wordt u het overzicht - meer dan - ‘100 jaar Orthopedagogiek’ gepresenteerd.

Deze website is eigendom van het Hermen J, Jacobsfonds
Het Hermen J. Jacobsfonds ondersteunt onder andere projecten op het terrein van het speciaal onderwijs. Hermen J. Jacobs was 30 jaar eindredacteur van het toonaangevende tijdschrift voor het buitengewoon onderwijs en publiceerde tientallen artikelen. Deze en vele andere artikelen kunnen via deze site geraadpleegd worden. Indien u toegang wilt hebben tot de artikelen, kunt u een verzoek sturen aan het secretariaat van het Hermen J. Jacobsfonds via secretariaathjjacobsfonds@gmail.com.

U treft hiernaast als eerste het onderdeel
'<< 1909' aan. U komt via deze 'knop' bij
de gebeurtenissen voorafgaand aan 1909, het oprichtingsjaar van - de voorlopers van - het Tijdschrift voor Orthopedagogiek.
Daar kunt u via de 'knop' '>>1909' naar de huidige pagina terugkeren.
Hiernaast wordt het overzicht van 1909 tot en met het huidige jaar weergegeven.

Binnen dit jaaroverzicht wordt een 5-tal categorieën weergegeven, te weten:
 

  •  
    Wetten en regelingen
  •  
    Gebeurtenissen
  •  
    Ontwikkelingen in het veld
  •  
    Artikelen
  •  
    Ontstaansgeschiedenis

    Zie voor verdere informatie:
    Colofon - Disclaimer - Over (rechts - onder)

100 Jaar - 1901

  • VERSLAG VAN DEN STAAT DER HOOGE, MIDDELBARE EN LAGERE SCHOLEN IN HET KONINKRIJK DER NEDERLANDEN OVER 1901 - 1902.
    LINK
     
  • Tweede confessionele coalitie Kuyper - 58 zetels
  • Leerplichtwet, ingaande 1 januari: voortaan waren kinderen in de leeftijd van zes tot twaalf jaar verplicht om naar school te gaan. Primaire scholing was nu niet langer een voorrecht voor wie het zich kon veroorloven maar een algemene plicht. De invoering ervan is niet onomstreden geweest. Een grote meerderheid van confessionele afgevaardigden had zich tegen het voorstel gekeerd, omdat er te weinig bijzondere scholen waren om een verwachte toestroom van nieuwe leerlingen op te vangen en omdat de leerplicht het ‘heilige natuurrecht’ van de ouderlijke bevoegdheid en verantwoordelijkheid aantastte. Socialistische Kamerleden hebben wél de leerplicht aanvaard maar bestreden het ontwerp, omdat de gemeenten niet werd voorgeschreven de leerplichtigen zo nodig ook schoolvoeding en schoolkleding te verschaffen. De katholieke afgevaardigden H.J.A.M. Schaepman en M.J.C.M. Kolkman bezorgden de liberale coalitie de meerderheid.
  • Woningwet: krotopruiming wordt mogelijk, bouwregels worden gehanteerd en men kon het huis uit gezet worden indien men overlast bezorgde, bij uitblijven van verbetering van gedrag en bij huurachterstand. Er diende een einde te komen aan onhygiënische toestanden als koken in de kamer en slapen in bedsteden. In alle nieuwe arbeiderswoningen diende een aparte kookkeuken te komen, een wc en een aparte slaapkamer.
    LINK
    Andere Tijden: uitzending 14 december 2000.
  • Ongevallenwet-1901; Staatsblad 1901, nr. 1; in werking: 1 juni 1901 en 1 februari 1903; voorloper: geen; opvolger: Ongevallenwet-1921.
    Ongevallenwet. Deze wet, die op 1 juni 1901 gedeeltelijk en op 1 februari 1903 volledig in werking trad, had alleen betrekking op werknemers in 'gevaarlijke' industriële bedrijven. Wanneer deze werknemers 'in verband met hun dienstbetrekking' een bedrijfsongeval kregen, hadden zij in de eerste plaats recht op een volledige genees- en heelkundige behandeling van het lichamelijke of geestelijke letsel dat bij het ongeluk was opgelopen. Daartoe behoorde niet alleen de medische en eventuele chirurgische behandeling, maar ook bijvoorbeeld de verschaffing van kunstledematen en andere hulpmiddelen, de herscholing voor het oude beroep of de omscholing voor een ander beroep, en dergelijke.
    De getroffen werknemer kreeg daarnaast een 'loonschadevergoeding'. Gedurende de eerste zes weken na de dag van het ongeluk was dat een tijdelijke uitkering, daarna - bij gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid - een voorlopige of blijvende uitkering ('rente' genoemd naar de mate van zijn arbeidsongeschiktheid). De uitkering liep door zolang de getroffen verzekerde geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt bleef als gevolg van het ongeluk, eventueel dus ook nadat de 65-jarige leeftijd was bereikt. Zelfs als de werknemer na het bereiken van die leeftijd door een bedrijfsongeval getroffen werd, had hij recht op een ongevalsuitkering.
    Tenslotte gaf de Ongevallenwet ook recht op een uitkering aan weduwen en wezen van werknemers, die als gevolg van een bedrijfsongeval waren overleden. Ook anderen die van het inkomen van de overleden kostwinner afhankelijk waren, hadden dat recht.
  • Gezondheidswet.
  • Burgerlijke kinderwet: verwaarloosde, verlaten en verweesde kinderen vallen onder dezelfde voogdijregeling: de voogdij ging over naar de instelling voor kinderbescherming waar het kind verbleef. De Kinderwetten vormen een geheel aan regels en maatregelen, met als uitgangspunt het belang van het kind. Straf en opvoeding worden gecombineerd: als uiterste maatregel kwam er de tuchtschool – het rijksopvoedingsgesticht (ROG) -.De kinderwetten worden pas vanaf 1905 uitgevoerd.
    LINK
    Jan Simon van der Aa (1865-1944).
  • Tot dit jaar kent het Burgerlijk Wetboek alleen de vaderlijke macht; nu wordt dit omgezet in de ouderlijke macht, uitgeoefend door de vader.
  • Hubert Booth: stofzuiger.
  • Peter C. Hewitt: kwiklamp.
  • De Italiaanse elektotechnisch ingenieur Guglielmo Marconi brengt de eerste draadloze transatlantische uitzending tot stand.
     
  • Louis Couperus begint met de publicatie van de 'Boeken der kleine zielen'.
  • In Amsterdam wordt een 'Gemeentelijke Geneeskundige Dienst' opgericht.
  • De stemming over de leerplicht vindt plaats op 30 maart 1900. De liberale minister Goeman Borgesius heeft een voorstel tot wet ingediend waarmee leerplicht voor kinderen van zeven tot dertien jaar wordt ingevoerd. Er is veel verzet tegen het wetsvoorstel met name uit confessionele hoek. Het ouderlijk gezag wordt door de leerplicht ondermijnd en nuttige bijverdienste gaat verloren. Daarenboven speelt dat door gebrek aan christelijke en katholieke scholen veel kinderen noodgedwongen naar de openbare school moeten. Op de dag van de stemming zijn 99 van de 100 kamerleden aanwezig. Alleen baron Schimmelpenninck van de Oye, tegenstander van de invoering van leerplicht, ontbreekt. Hij is van zijn paard gevallen en ligt in bed. De uitslag van de stemming is 50 voor en 49 tegen. De wet haalt het met de kleinst mogelijke meerderheid.
    Nieuwe Tilburgsche Courant 1 april 1900

     
  • Alle aandacht gaat hierbij in de 'overzichtswerken' uit naar de rol van Schimmelpenninck en zijn paard; echter
    Tilburgsche Courant 12 april 1900
Philip Idenburg
1901-1995
Idenburg promoveert in 1928 op een proefschrift over de staat en het volksonderwijs en werkt vanaf 1929 als hoofd van de nieuwe afdeling onderwijsstatistiek bij het Centraal Bureau voor de Statistiek. Zijn schoonvader Kohnstamm stimuleerde zijn belangstelling voor het onderwijs. Totdat Minister van onderwijs Gielen de functie ophief was Idenburg directeurgeneraal van het onderwijs, onder Minister Van der Leeuw - in 1946 -. In 1965 werd hij de eerste voorzitter van de Stichting Onderzoek van het Onderwijs. Idenburg bekendste publicaties zijn: Schets van het Nederlandse schoolwezen - 1960 - en Theorie van het Onderwijsbeleid - 1971 -.
BRON: Ivo van Hilvoorde, Grenswachters van de pedagogiek.

    Zie 1947 - Gebeurtenissen: Dr. Ph.J. Idenburg, directeur van het Centraal Bureau voor de Statistiek, vertelt, vanachter zijn Haagse bureau, aan de kijkers hoe belangrijk de volkstelling van 1947 is en verzoekt hen daaraan zo goed mogelijk mee te werken. In zijn betoog zijn o.a. meegemonteerd shots waarmee de situatie van Nederland anno 1947 wordt gekarakteriseerd m.b.t.  huisvesting: er zijn Nederlanders in de voormalige oorlogsgebieden bijvoorbeeld die nog pover gehuisvest zijn in keten, stallen, bunkers en onbewoonbaar verklaarde woningen. Daarnaast shots van bouwvakkers die aan het werk zijn (metselaar, timmerman, stucadoor).

    Arie Querido
    1901-1983
    In Amsterdam doorliep hij de lagere en middelbare school, waarna hij aan de Universiteit van Amsterdam geneeskunde studeerde van september 1918 tot februari 1926. Tijdens de studie raakte hij vooral geboeid door de neurologie en psychiatrie, zoals deze gedoceerd werden door respectievelijk de hoogleraren J.K.A. Wertheim Salomonson en K.H. Bouman. Toch richtte hij zijn belangstelling aanvankelijk op de elektrofysiologie. Na het kandidaatsexamen verwierf hij een plaats als studentenassistent op het Fysiologisch Laboratorium, dat onder leiding stond van prof. G.A. van Rijnberk. Na het behalen van het doctoraal examen (1923) verrichtte hij met een beurs van de Netherland-America Foundation en de Rockefeller Foundation, gedurende een jaar, elektrofysiologisch onderzoek aan de Harvard University te Cambridge (VS) onder leiding van Alexander Forbes en W.B. Cannon. Het concept betreffende fysiologische homeostase van Cannon heeft bij Querido een belangrijke invloed uitgeoefend op zijn latere ideeën betreffende psychosociaal evenwicht. Teruggekeerd in Amsterdam voltooide hij zijn medische studie en legde hij in februari 1926 het artsexamen af. Hij werd aangesteld als wetenschappelijk assistent op het Fysiologisch Laboratorium en promoveerde nog in hetzelfde jaar bij prof. Van Rijnberk op het proefschrift Over de werking van veratrine op dwars-gestreept spierweefsel (Amsterdam, 1926). Hij nam een uitnodiging aan van de Leidse psychiater prof. G. Jelgersma - vermoedelijk op voorspraak van prof. K.H. Bouman - om als tweede geneesheer in dienst te treden van de Leidse psychiatrische inrichting 'Endegeest' te Oegstgeest (februari 1927). Al spoedig ontwikkelde zich in Querido een kritische houding ten aanzien van de inhoud van de gestichtspsychiatrie ('de diagnose was alles, de therapie een achteraan hinkende gedachte'). Ook de freudiaanse psychoanalyse, waarvan K.H. Bouman en nog meer Jelgersma in Nederland belangrijke exponenten waren en die door laatstgenoemde ook op de psychotische patiënten van 'Endegeest' werd toegepast, kon bij Querido geen enthousiasme wekken. Wel raakte hij in de ban van de 'nachgehende Fürsorge', die in Duitsland na de Eerste Wereldoorlog werd ontwikkeld ter begeleiding van ontslagenen uit krankzinnigeninrichtingen. Zijn eerste blijk van belangstelling voor ambulante geestelijke gezondheidszorg vormt het medeoprichterschap van het Amsterdamsche Consultatiebureau voor Moeilijke Kinderen in 1928.
    Querido kreeg de kans zijn nieuwe ideeën in praktijk te brengen toen hij op 1 juni 1931 - aanvankelijk als plaatsvervangend hoofd, twee jaar later als hoofd - werd aangesteld bij de Afdeeling voor Zenuw- en Geesteszieken van de GGD Amsterdam. Als belangrijkste taak kreeg hij de verantwoordelijkheid voor de Amsterdamse psychiatrische patiënten, die, bij gebrek aan een eigen gemeentelijke inrichting, wijd en zijd over het land in psychiatrische gestichten werden verpleegd. Binnen enkele jaren zag hij kans het aantal opgenomen patiënten drastisch te verminderen.
    In die tijd bezocht hij ook alle zesenveertig families die in Zeeburgerdorp woonden, een woonschool in het oostelijk havengebied van Amsterdam. In zijn publicatie hierover gebruikt Querido voor het eerst de term sociale psychiatrie, en daarmee schreef hij geschiedenis. Hij voegde een derde dimensie toe aan het denken over geestelijke gezondheidszorg: 'Als arts ben je gewoon in twee dimensies, soms zelfs in één, te denken en te redeneren: het somatische, en misschien nog een beetje het psychische. Hier komt ineens die derde dimensie, de sociale.'
    Zowel voor- als nazorg kreeg nu de nodige aandacht, en hieruit ontwikkelde zich een gemeentelijk apparaat voor sociale psychiatrie, die de ambulante zorg voor psychiatrische patiënten op zich nam. In 1936 werd de afdeling omgedoopt in Afdeeling voor Geestelijke Hygiëne.
    Na de Tweede Wereldoorlog opende zich voor Querido de mogelijkheid zijn arbeidsterrein en zijn blikveld aanzienlijk te vergroten, toen hij op 4 mei 1949 werd benoemd tot directeur Openbare Gezondheidszorg van de gemeente Amsterdam. Deze nieuwe dienst, onafhankelijk van de GGD, had als taak het gemeentebestuur te adviseren, in het bijzonder ten aanzien van de coördinatie van de gemeentelijke en particuliere instellingen voor gezondheidsvoorzieningen. Vanaf december 1951 combineerde Querido deze functie met een buitengewoon hoogleraarschap in de sociale geneeskunde aan de Universiteit van Amsterdam. In de combinatie van beide functies leidde hij veel evaluerend onderzoek, o.a. met betrekking tot verwijzingsmethodiek van huisartsen, zwangerschapszorg en schoolartsendienst. Op 1 oktober 1960 legde Querido het directeurschap neer en werd hij gewoon hoogleraar. Zijn wetenschappelijke belangstelling richtte zich nu meer op sociaal-psychologische factoren die bij de gehospitaliseerde patiënten een rol spelen. Op 16 januari 1970 kreeg hij op eigen verzoek ontslag als hoogleraar; hij kon zich niet langer vinden in de turbulente universiteit, waarbij hij zowel kritiek had op de houding van zijn medehoogleraren als op die van de studenten.
    Zijn leven lang is Querido het socialistische ideaal trouw gebleven. Als student was hij actief lid van de Studentenvereeniging voor socialistische lezingen, en na de oorlog trad hij toe tot de Partij van de Arbeid. Namens deze partij was hij van 1958 tot 1970 lid van de Eerste Kamer van de Staten-Generaal, nadat hij eerst lid was geweest van de sectie Gezondheidszorg van de Wiardi Beckman Stichting. Als senator baarde Querido opzien door als enige lid van de Eerste Kamer tegen het ontwerp van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (1967) te stemmen, dat hij als een onbezonnen 'opbergsysteem voor hopeloze patiënten' beschouwde.
    Naast en na deze functies heeft Querido, 'een kleine zeer kwieke man met scherpe ogen, onder de grijze wenkbrauwen' (aldus de journalist A.J. Heerma van Voss), nog vele andere taken vervuld, zoals het voorzitterschap van de Nationale Federatie voor de Geestelijke Volksgezondheid (1952-1967) en bestuurslid en later gedelegeerd lid namens de wetenschappelijke adviescommissie van het Preventiefonds (tot 1979). Gedurende 25 jaar was hij redacteur van het Maandblad voor de geestelijke volksgezondheid.
    Vader: Emanuel Querido, uitgever: 'uiterlijk klein-burgerlijk met een smalle materiële basis, innerlijk sterk onder de invloed van kunstzinnige en ideaal-socialistische factoren'.
    BRON - BRON


    Endegeest 1928


    Endegeest munten

    • De leerplichtwet doorbreekt niet het verschijnsel van 'standenscholen'. Er bestaan: burger-, tusschen- en volksscholen. Van de Burgerscholen waren 2 soorten, 3-jarig en 5-jarig, waarvan het schoolgeld verschilde. De scholen van de hoogste stand kregen een naam - Vondelschool, Prinsenschool -, de tusschenscholen kregen een letter en de volksscholen een nummer: zo geeft Theo Thijssen tussen 1900 en 1920 les op 'School 104' in Amsterdam. In 1907 worden de 'letterscholen' afgeschaft zodat er per 1 januari 1908 alleen nog maar naam- en nummerscholen waren. Vanaf 1920 werd ook het nummer afgeschaft. Zo moesten in Amsterdam circa 250 scholen opeens een naam krijgen. Voorheen waren scholen veelal genoemd naar letterkundigen - Vondel, Alberdingk Thijm - dus bij de uitbreiding van de namen werd hier ook weer voor gekozen: Bogaers, Borger, Bosboom-Toussaint en uit de Vlaamse letterkunde: Jan van Beers, Conscience en Loveling. Ook waren scholen naar schilders genoemd - Ferdinand Bol, Rembrandt - dus bij de uitbreiding koos men voor bijvoorbeeld: Hobbema, Jan Lievensz, Albert Cuyp. Er bestond al een Jacob van Campenschool en bij de uitbreiding kwamen daar Daniël Stalpert en Hemony bij. Ook een aantal pedagogen hadden hun naam geleend aan scholen - Comenius, Pestalozzi, Van den Ende, Hendrik Wester -; op dat moment wist men maar met 1 persoonsnaam uit te breiden: Jan Ligthart. Scholen hadden ook namen als De Platageschool en de Rozenschool dus kwamen er de Hazenstraatschool, de Prinsengrachtschool, de Iepenwegschool en in het Amsterdam-Noord waar de straten naar kometen genoemd waren, de Orion- en de Kometenschool. Er waren voor 1920 maar 3 scholen die naar vorsten/vorstinnen waren genoemd: Prins Frederik, Frederik Hendrik en Amalia. Dit werd uitgebreid met de namen van de 4 broers van Willem van Oranje en de 3 dochters van Frederik Hendrik en met de namen van stadhouders. De 2 staatslieden-scholen - Oldenbarneveldt en Van Hogendorp - werden aangevuld met Falck, Van Bosse, Van Beuningen, Van Hall, Beverningh, Van Peuningen, Jacob de Witt en Cornelis en Mr. Johan de Witt, Maria van Berkel, Wendela Bicker, De Kempenaer en Van Boetzelaer. De scholen die genoemd waren naar gouverneurs-generaal van Indië - Anthonie van Diemen, Rijklof van Goens, Maetsuycker en Jan Pieterz. Coen kregen gezelschap van Van Outshoorn, Van Riebeeck, Camphuys e.a. Naar invloedrijke mensen - Heemskerck en Houtman - werden nu scholen genoemd naar: Willem Barentsz, Van Linschoten, Gerrit de Veer, Le Maire, Tasman, Dirk Hartogh. Naar zeestrijders waren nog geen scholen genoemd maar dit werd in grote getale 'goedgemaakt': Callenburgh, Almonde, Tjerk Hiddes de Vries, Jacob Binkes, Abraham Taelman, Abraham van Zijl, Willem van der Zaan. Wat de geleerden betreft bestond er de Ter Gouw-school en de Van Swindenschool; dit werd aangevuld met Pontanus, Commelin, Von Zesen, Wagenaar, Camper, Swammerdam, Ruysch en Van 't Hoff.

      Bellamystraat
       
    • Tilburgsche Courant 5 april 1900
    • Oprichting van de 'Centrale Bond voor Christelijke Philantropische Inrichtingen'.
    • Oprichting van 'Het Kind: veertiendaagsch blad voor ouders en opvoeders' - verschijnt tot 1955 -. Tijdens de eerste jaren bestond de redactie uit Gunning, M.E.H. Sandberg en J.H.F. Ritter.
    • De drie scholen voor verstandelijk gehandicapten telden rond de honderd leerlingen.
    • Eerste consultatiebureau voor zuigelingen geopend in Den Haag - Plantenga -.
    • Klootsema aangesteld als adjunct in Het Rijksopvoedingsgesticht te Alkmaar.
      De psychiatrische dienst van het Alkmaarse ROG; in het midden Klootsema - 1907 -

      Jan-Wilm Delicat - Van ijzeren vuist naar zachte hand?
      LINK
       
    • Oprichting van het 'Centraal Genootschap voor Kinderherstellings- en Vacantiekolonies'.
      LINK
      Andere Tijden: uitzending 14 oktober 2003. Verzwakt door de honger en aangeslagen door de ellende die ze om zich heen hadden gezien, mochten duizenden Nederlandse kinderen in 1945 op adem komen, in Engeland, Denemarken of Zweden.