LINK
Bekijk het artikel| Helena Stellwag |
| 1902-1996 |
| Verhuisde in 1908 naar Utrecht en daar zou Stellwag tot het eind van haar studietijd blijven wonen. Vanaf haar zesde jaar bezocht zij de meisjesschool van de Burgerscholen der Nederduits-Hervormde gemeente. Na het zesde leerjaar begonnen klasgenotes deze school langzaam aan te verlaten om naar het voortgezet onderwijs te gaan. Pas toen Stellwag zelf in 1916, na acht leerjaren, duidelijk te kennen gaf er genoeg van te hebben, besloot haar vader haar naar het Christelijk Gymnasium te sturen. In de zomervakantie haalde zij de achterstand in Latijn in, om daarna als toehoorster in de tweede klas te worden toegelaten. Hoewel het inhalen van de achterstand in de wiskundige vakken nog wel enkele bijlessen vergde, heeft zij deze school zonder verdere problemen afgemaakt. Aanvankelijk wilde zij Duits gaan studeren, maar uiteindelijk werd het klassieke talen. Nog tijdens haar schooltijd werd zij aangenomen als lid van de Lutherse kerk. Ook haar studietijd heeft Stellwag in Utrecht doorgebracht. In haar studie legde Stellwag sterk de nadruk op het Grieks. Na het kandidaatsexamen, dat zij in 1924 cum laude aflegde, koos zij oude geschiedenis als tweede vak en niet Latijn, zoals de gewoonte was. Zij schreef een proefschrift over Epictetus. In 1926, na vijf jaar studie, legde zij cum laude het doctoraalexamen af. Na haar studie reisde Stellwag af naar Leeuwarden, waar zij lerares klassieke talen werd aan het Stedelijk Gymnasium. Zij woonde in Leeuwarden in verschillende pensions, totdat zij in 1929 een huis betrok samen met de - eveneens pas begonnen - lerares Engels, mevrouw A.J. Erdman Schmidt. Met haar zou zij samen blijven totdat de dood hen (in 1985) scheidde. Naarmate Stellwag de problemen van het beginnend leraarschap, orde houden en lessen voorbereiden, beter onder de knie kreeg, begon zij plannen te maken voor een dissertatie. In 1933 promoveerde zij op het proefschrift Epictetus, het eerste boek der Diatriben; inleiding, vertaling en commentaar. In 1937 promoveerde ook mevrouw Erdman Schmidt. In 1942, Stellwag was inmiddels conrector, solliciteerde zij naar de vrijgekomen positie van rector aan het Stedelijk Gymnasium. Hoewel er in die tijd nog geen vrouwelijke rectores waren, werd zij als nummer één op de voordracht geplaatst. Het departement dat over de benoeming moest beslissen, koos echter de tweede van de voordracht, een man, met als argument dat het taalgebruik van de wet alleen de interpretatie toeliet dat de rector van een gymnasium een man zou moeten zijn. Zij nam verlof op en vulde het geringe resterende salaris aan door bijlessen te geven, om zo over haar plannen na te kunnen denken. In haar jaren als lerares was zij sterk geïnteresseerd geraakt in de pedagogisch-didactische kanten van het onderwijs en nu besloot zij om in dit vakgebied haar toekomst te zoeken. Zij nam contact op met prof. dr. M.J. Langeveld, hoogleraar in de pedagogiek te Utrecht en begon in 1944 aan een opvoedkundige studie. Nog voor zij iets van haar toekomstplannen met dit vak had kunnen realiseren - zij wilde een particuliere pedagogische en didactische praktijk beginnen - werd zij eind 1945 benaderd om prof. dr. Ph. Kohnstamm als buitengewoon hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam op te volgen. Zij besloot om aan deze oproep gehoor te geven. Op 8 maart 1946 legde zij cum laude het doctoraalexamen in de pedagogiek af en in oktober 1946 begon zij aan haar tweede loopbaan: die van hoogleraar in ‘de pedagogiek in haar volle omvang’ aan de Universiteit van Amsterdam. Zij zou deze functie, eerst als buitengewoon hoogleraar en vanaf 1954 als gewoon hoogleraar, tot aan haar emeritaat in 1972 blijven vervullen. Stellwag is degene geweest die het vak pedagogiek als universitaire discipline aan de Universiteit van Amsterdam vorm gaf. Tot aan haar benoeming was het vak alleen als bijvak bij de wijsbegeerte gedoceerd. Waar de Amsterdamse Faculteit der Letteren en Wijsbegeerte zich in 1917 nog heftig had verzet tegen een pedagogisch instituut, hetgeen immers ‘schoolmeesters’-bemoeienis met de universiteit zou geven, zette zij zich direct na haar benoeming voortvarend aan de ontwikkeling daarvan. In 1954 heeft zij haar Pedagogisch Didactisch Instituut gerealiseerd, inclusief wetenschappelijke en secretariële assistentie en een eigen onderkomen aan de Herengracht. Stellwag stelde een onderzoeksprogramma op en de studentenaantallen groeiden gestaag. De pedagogiek werd tevens een verplicht vak voor aanstaande leraren. Bij haar emeritaat in 1972 bestond er een zelfstandige studierichting met differentiaties en bijbehorende stafafdelingen op het gebied van de onderwijskunde, de gezinspedagogiek, de sociale pedagogiek, de orthopedagogiek en de wijsgerige en historische pedagogiek. Op elk van deze terreinen waren hoogleraren benoemd of gepland, er was een nieuw pand betrokken aan de Prinsengracht en de toestroom van studenten was op een hoogtepunt. Mede door privé-omstandigheden, maar zeker ook onder invloed van de studentenopstanden en de democratiseringsbewegingen omstreeks 1970, kwam aan de universitaire loopbaan van Stellwag toch nog een voortijdig einde. In die tijd gold de regeling dat hoogleraren op hun zeventigste met emeritaat gingen. Hoewel zij de medezeggenschap van studenten aanvankelijk nog als een zinvol opvoedkundig experiment beschouwde, kon zij toch moeilijk aanzien hoe haar kamer werd bezet en hoe haar via ‘democratische verkiezingen’ het directeurschap over het door haar opgerichte en groot gemaakte Pedagogisch Didactisch Instituut werd ontnomen. Zij besloot om per februari 1972, een half jaar vóór haar zeventigste verjaardag, te vertrekken. Zij kon nu profiteren van het netwerk van buitenlandse wetenschappelijke contacten dat zij gedurende haar universitaire carrière had opgebouwd. Zij gaf een aantal gastcolleges in het buitenland en aanvaardde in 1973 voor enkele maanden een - toen controversieel - gasthoogleraarschap aan de Universiteit te Natal, Zuid-Afrika. |
| Vader: Predikant in de Lutherse kerk. |
| BRON |