| Hij is in 1942 de studie in de psychologie in Amsterdam begonnen. Vooral de Duitse Gestalt-, denk- en ontwikkelingspsychologie behoorden tot het studieprogramma. Zijn gehele wetenschappelijke loopbaan is Van Parreren trouw gebleven aan deze oriëntatie. Na februari 1943 volgde hij clandestiene werkgroepen bij enkele docenten thuis: Géza Révèsz – die door Van Parreren als zijn leermeester werd beschouwd – en H.C.J. Duijker, zijn latere promotor. Hij deed in 1946 kandidaatsexamen en in 1947 doctoraal. Daarna werd hij assistent bij Duijker met de opdracht: het experimentele practicum. In zijn promotieonderzoek, over het verloop van leerprocessen, introduceerde hij als centraal begrip de ‘handelingsstructuur’, dat hij ontleende aan de Duitse psycholoog Kurt Lewin. Dit is – in zijn eigen woorden – alles wat iemand doet om een bepaald leerresultaat te bereiken. Het leerverloop werd gedefinieerd als een kwalitatieve ontwikkeling van handelingsstructuren. De dissertatie (1951) heeft als titel Intentie en autonomie in het leerproces. In de jaren daarna ontwikkelde Van Parreren een in vele opzichten nieuwe leertheorie, die in drie publicaties uiteen werd gezet, zijn oratie uit 1958 en Psychologie van het leren, deel I en II. De centrale vraag was: welke handelingen versterken of verzwakken de grenzen tussen de systemen? Van Parrerens Psychologie van het leren kan baanbrekend worden genoemd. Er is een Duitse vertaling van verschenen. De belangstelling vanuit Duitsland had met name betrekking op zijn systeemtheorie, die toepasbaar was op het onderwijzen van vreemde talen. Zijn boek voor de lerarenopleiding Leren op school (1964) werd een ‘bestseller’. Dit succes veroorzaakte een accentverschuiving in Van Parrerens onderzoek: van leren naar onderwijzen. Onderwijzen is immers de mogelijkheid leerprocessen (i.c. het ontwikkelen van handelingsstructuren) te optimaliseren. In 1965 werd Van Parreren in Utrecht benoemd tot hoogleraar in de psychologische functieleer. Hij introduceerde daar een nieuw thema: ‘Sovjetpsychologie’. In 1966 kwam hij in contact met professor P. Gal’perin, die hij in 1968 in Moskou bezocht. Hij kreeg een ‘schok van herkenning’. Gal’perins theorie was gebaseerd op het handelingstheoretische principe. |