LINK| Marie Muller-Lulofs |
| 1854-1954 |
| - Na de lagere school vervolgde ze haar schoolopleiding bij de Hernhutters te Zeist. De kwaliteit van deze kostschool waar ze tot haar achttiende jaar op zat liet waarschijnlijk te wensen over vandaar dat Muller-Lulofs zichzelf - evenals Mercier - als een autodidacte beschouwde. - Enerzijds had Muller-Lulofs, vanwege het academische milieu waarin ze verkeerde, een vanzelfsprekend respect voor de wetenschap en was ze zich als autodidact pijnlijk bewust van de beperkingen van haar intellectuele vorming, anderzijds maakten de 'mannen van de wetenschap' minder indruk op haar dan op Mercier. - Ze kwam uit een gefortuneerd gezin en trouwde met een bemiddeld man. Vijftig jaar lang, vanaf 1889 tot ongeveer 1940, werkte zij, onbetaald, voor de armen. Ze voelde zich, zoals ze het omschreef, daartoe verplicht door haar ‘eigen zonnebestaan’. - Zij richt in 1890 de 'Vereeniging tot Verbetering van Armenzorg' in Utrecht op. - Tevens is zij betrokken bij oprichting van een Volkshuishoudschool, een Commissie Bijstand aan Zieken voor thuisverpleging, een volkszangklas, de opleiding tot sociaal werk en een kinderbibliotheek. - In 1904 kwam op initiatief van Muller-Lulofs in Utrecht een kinderhuis voor 'naschoolse opvang' tot stand; in 1906 de Maatschappij tot Verbeetering der Volkshuisvesting, 'Jaffa', en een Centraal Werkloozen Bureau in 1908. Om de woekerrente te bestrijden zette ze in 1912 een hulpbank op, in 1926 omgezet in een Leen- en Spaarkas. In 1912 werd zij voorzitster van een door de Kroon ingestelde Armenraad. |
| Vader: Amsterdamse graan- en tabakshandelaar Claas Lulofs. |
|
BRON: - Liesbeth Bervoets, 1993, Opvoeden tot sociale verantwoordelijkheid - De verzoening van wetenschap, ethiek en sekse in het sociaal werk in Nederland rond de eeuwwisseling. BRON: Liesbeth Simpelaar (2011) ‘Mijn grootste fout is dat ik voor de fouten van de rijken niet hetzelfde geduld opbreng als voor die van de armen.’ Marie Muller-Lulofs (1854-1954). BRON |
| D.G. Jelgersma |
| 1854-1930 |
| Jelgersma ging na de HBS in Alkmaar medicijnen studeren aan de Universiteit van Amsterdam. Hij voelde zich aangetrokken tot de psychiatrie en was reeds als semi-arts werkzaam in het toenmalige krankzinnigengesticht Meerenberg. In 1885 legde hij het artsexamen af, twee jaar later werd hij toegelaten in Amsterdam als privaatdocent in de criminele anthropologie op voorspraak van J. van Deventer, directeur van Meerenberg die zelf als privaatdocent voor de psychiatrie aan de Universiteit werkzaam was. Jelgersma was aanvankelijk van mening dat het mogelijk moest zijn geestesziekten door een goed inzicht in de anatomische bouw van de hersenen te doorgronden. Het rijke sectiemateriaal in Meerenberg stelde hem in staat dit inzicht te verwerven. In 1893 begon hij Sigmund Freuds werken te lezen, maar hij hield zich nog afzijdig van diens leer. In 1894 werd hij benoemd tot geneesheer-directeur van het sanatorium voor zenuwlijders ‘De Vogel -en Plantentuin’ te Arnhem. Aan Jelgersma werd, te zamen met W.H. Cox een eredoctoraat aan de Universiteit van Utrecht verleend. Beide onderzoekers hadden vondsten gedaan op het gebied van de neuro-anatomie, die van belang werden geacht voor de psychiatrie. Hij was hiermee de eerste privaatdocent in de Psychologie en philosophie. Ter opening van zijn lessen in de zielkunde hield hij op 21 Oktober 1896 een toespraak. Dit was vier jaar nadat de psychologie als experimentele wetenschap in Nederland was geïntroduceerd. In de periode 1896-1932 kon de wetenschap van de psychologie dan ook als bijvak worden gestudeerd aan de Universiteit van Amsterdam. Jelgersma vervulde tot 1900 het redacteurschap van de Psychiatrische en Neurologische Bladen. |
| Vader: Predikant. |
