Op deze website wordt u het overzicht - meer dan - ‘100 jaar Orthopedagogiek’ gepresenteerd.

Deze website is eigendom van het Hermen J, Jacobsfonds
Het Hermen J. Jacobsfonds ondersteunt onder andere projecten op het terrein van het speciaal onderwijs. Hermen J. Jacobs was 30 jaar eindredacteur van het toonaangevende tijdschrift voor het buitengewoon onderwijs en publiceerde tientallen artikelen. Deze en vele andere artikelen kunnen via deze site geraadpleegd worden. Indien u toegang wilt hebben tot de artikelen, kunt u een verzoek sturen aan het secretariaat van het Hermen J. Jacobsfonds via secretariaathjjacobsfonds@gmail.com.

U treft hiernaast als eerste het onderdeel
'<< 1909' aan. U komt via deze 'knop' bij
de gebeurtenissen voorafgaand aan 1909, het oprichtingsjaar van - de voorlopers van - het Tijdschrift voor Orthopedagogiek.
Daar kunt u via de 'knop' '>>1909' naar de huidige pagina terugkeren.
Hiernaast wordt het overzicht van 1909 tot en met het huidige jaar weergegeven.

Binnen dit jaaroverzicht wordt een 5-tal categorieën weergegeven, te weten:
 

  •  
    Wetten en regelingen
  •  
    Gebeurtenissen
  •  
    Ontwikkelingen in het veld
  •  
    Artikelen
  •  
    Ontstaansgeschiedenis

    Zie voor verdere informatie:
    Colofon - Disclaimer - Over (rechts - onder)

100 Jaar - 1905

  • Liberaal kabinet De Meester 45 zetels
  • De kinderwetten.
    Deze bestonden uit wijzigingen in het Wetboek van Strafrecht en in het Burgerlijk Wetboek. De kinderbeginselenwet was nieuw en legde de beginselen vast, waarmee de eerste twee wetten, de Kinderwetten, moesten worden uitgevoerd. Het geheel moest de basis vormen van de kinderbescherming, volgens de indiener van de wet, Mr. P.C.M. Cort van der Linden,: een geheel van straffende opvoeding, als de ouders te kort schoten, en opvoedende straf, als het kind regels had overtreden.
    Cort van der Linden, had de portefeuille van Justitie onder beheer. Hij ging ervan uit, dat alle kinderen moesten worden opgevoed. Opvoeding, in die dagen, was kinderen disciplineren en vormen tot deugdzame personen. Fatsoenlijke ouders handhaafden in hun gezinsleven rust, reinheid en regelmaat en waren de gezagsdragers in het gezinsleven. Deze manier van opvoeding was het model, waarnaar de heropvoeding werd geregeld. Er is nu sprake van 'kinderstrafrecht' - beneden de 18 jaar -: als een kind de strafwet had overtreden, mocht niet vergelding, maar moest opvoeding de drijfveer zijn bij de bepaling van de straf. Het is ongebruikelijk dat kinderen beneden de 14 jaar bestraft worden.
    In deze zin werd het Wetboek van Strafrecht gewijzigd. De strafrechter kreeg een scala aan opvoedende maatregelen ter beschikking: berisping, teruggaaf aan ouders met de vermaning strenger op hun kind toe te zien, geldboete, een tuchtschoolstraf van enkele maanden en voor zeer ‘verdorven’ kinderen ‘ter beschikking stelling aan de regering om van harentwege te worden opgevoed’.
    In het Burgerlijk Wetboek betroffen de wijzigingen vooral het vaderlijk gezag, en daarmee de verantwoordelijkheid voor opvoeding. Het gezag in de opvoeding ging naar beide ouders. Waar deze tekort schoten moest voogdij het ouderlijk gezag vervangen en kregen de bedreigde kinderen een disciplinerende opvoeding om dreigende bandeloosheid voorkomen. In de Kinderbeginselenwet stonden onder meer de voorwaarden, waaraan een opvoedingsgesticht moest voldoen. Het ging om gezondheid, zedelijkheid, schoolonderwijs en vakonderricht. Er werden eisen gesteld aan het gebouw, voeding, lichamelijke verzorging, kleding, medisch toezicht, beweging, onderwijs en het vakonderricht. In het kader van de zedelijkheid in de gestichten moesten vanaf hun 10de levensjaar jongens en meisjes in afzonderlijke gestichten worden opgenomen. Er mocht gebruik gemaakt worden van slaapzalen, mits ieder een eigen bed had met voldoende ruimte er omheen, en er 's nachts toezicht was. Over ieder kind moesten bij opname aantekeningen worden gemaakt betreffende afkomst en verleden, lichamelijke en geestelijke toestand bij opname, over herkomst, ouders, woonomgeving, kameraden.
    Maatregelen worden bekostigd door het rijk; er komen regels voor de erkenning van particuliere (levensbeschouwelijke) internaten.
  • Wetswijziging. De toenmalige minister van Binnenlandse Zaken (er bestond nog geen apart ministerie voor onderwijs), dr. Abraham Kuyper, plaatste het onderwijs aan zwakzinnige kinderen buiten de Wet op het Lager Onderwijs. De achterliggende gedachte was dat het zwakzinnige onderwijs en ook de scholen voor achterlijke, idiote, blinde en doofstomme kinderen nu niet meer gebonden waren aan de voorwaarden van de Lager Onderwijswet. Want
    wanneer (men) eenmaal een school voor zwakzinnigen inricht, dat wil zeggen een school systematisch in elkander gezet en waar het onderwijs toegaat als het voor zwakzinnigen zijn moet, dan voldoet die school niet aan de eischen van de wet op het lager onderwijs, en kan dus, zoolang de wet luidt als thans, niet bestaan’ (Graas, 1996: 37).
    Het voor Kuyper belangrijk dat het gewoon lager onderwijs de in de wet vastgelegde einddoelen zou halen. Deze zouden niet worden bereikt zolang er leerlingen met een beperking in het gewoon lager onderwijs zaten. Tevens hoefde men hierdoor niet meer dit type scholen te subsidiëren.
    Graas (1996: 39) beschrijft het als ‘politieke touwtrekkerij tussen onderwijspraktijk en onderwijspolitiek’. Niet iedereen zag namelijk de voordelen van de wetswijziging, maar volgens minister Kuyper konden er niet zomaar wijzigingen aangebracht worden in de wet in het voordeel van de zwakzinnige kinderen. Er waren drie punten van discussie die in de Tweede Kamer naar voren kwamen waarover Kuyper eerst meer duidelijkheid wilde hebben. Het eerste punt was het probleem van de categorisering of de begripsbepaling. Welke kinderen waren ‘achterlijk’ of ‘zwakzinnig’? De mogelijkheid tot het trekken van een scheidslijn tussen de verschillende categorieën werd als een onmogelijke opgave gezien, laat staan dat te achterhalen viel om hoeveel kinderen het zou gaan. Het tweede punt van discussie was de vraag of de voorkeur lag bij het oprichten van zelfstandige dagscholen voor zwakzinnige kinderen of voor afzonderlijke klassen verbonden aan de gewone lagere school. Op dit punt kwam de Tweede Kamer tot de conclusie dat er eerst ervaring moest worden opgedaan in het buitenland. Nederland was een uitzondering in het opzetten van aparte scholen voor probleemkinderen, zo kende Duitsland zogenaamde ‘Hilfsklassen’ (hulpklassen verbonden aan een gewone school). Tot slot en dit was misschien wel het belangrijkste punt: de financiering. De kleine tegemoetkoming die het Rijk voor ogen had, was te gering om een school op te richten. Graas (1996) beschrijft een zekere tweeslachtigheid binnen het beleid van het ministerie van onderwijs:
    ‘het niet vallen onder de lager-onderwijswet zou vele vrijheden en mogelijkheden scheppen, werd de Tweede Kamer voortdurend voorgehouden. Eenmaal uit de lager-onderwijswet gehaald – wat dus in 1905 geschiedde – werden er al spoedig scherpe voorwaarden gesteld om geld uit ’s Rijks kas te kunnen ontvangen’ (Graas, 1996: 42).
    Graas, D. (1996). Zorgenkinderen op school. Geschiedenis van het speciaal onderwijs in Nederland, 1900-1950. Leuven - Apeldoorn: Garant.
  • Aparte Algemene Maatregel van Bestuur die de inrichting en het beheer van de gestichten nader bepaalde. Er moest worden gekomen tot 'externe classificatie' - herkomst, leeftijd, verstandelijke en zedelijke ontwikkeling, geaardheid en gedrag -, een stelsel dat door Klootsema in 'Misdeelde kinderen' was aanbevolen.


  • Nieuws van den Dag 28 april 1905
    Bekijk het artikel
     
  • Ontwikkeling van de relativiteitstheorie door Albert Einstein.
  • Mary Anderson: ruitenwissers.
  • John Ambrose Fleming: radiobuisdiode.
     
  • Er zijn 38 elektriciteitscentrales in Nederland.
  • De leider van de Amsterdamse diamantbewerkers, Jan van Zutphen, sticht het 'koperen stelenfonds', welk initiatief navolging vindt in Antwerpen - actie Zonnestraal - en de VS.
  • Oprichting van 'De Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland' - Naardermeer -.
Martinus Jan Langeveld
1905–1989
In 1921 voltooide hij de driejarige HBS, twee jaar later de vijfjarige HBS. Op het Amsterdamsch Lyceum leerde hij de kinderen van Philip Kohnstamm kennen, met wie hij bevriend raakte. Op 30 juni 1925 voltooide Langeveld het gymnasium. Dat jaar schreef hij zich in aan de Universiteit van Amsterdam bij de faculteit der Letteren voor de studie Nederlands en filosofie. In zijn studentenjaren groeide het contact met Kohnstamm, die zijn leermeester zou worden, en met de filosoof H.J. Pos. Onder invloed van Kohnstamm en Pos maakte Langeveld in de jaren dertig reizen door Duitsland. Hij volgde colleges bij onder andere Edmund Husserl, Martin Heidegger, William Stern en Theodor Litt. Na zijn studie werkte Langeveld van 1931 tot 1939 als leraar Nederlands aan het Baarnsch Lyceum. Hij schreef er zijn proefschrift Taal en denken, waarop hij in 1934 promoveerde. In 1939 werd Langeveld op voorspraak van Kohnstamm benoemd tot buitengewoon hoogleraar pedagogiek aan de Universiteit van Utrecht en na de oorlog, in 1946, tot gewoon hoogleraar in de pedagogiek, de algemene didactiek en de ontwikkelingspsychologie.
In 1943 werd hij ook aan de Universiteit van Amsterdam benoemd tot bijzonder hoogleraar pedagogiek vanwege de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen ter vervanging van de door de Duitse bezetter ontslagen (joodse) hoogleraar Philip Kohnstamm. Langeveld kreeg in Utrecht zijn eigen Pedagogisch Instituut, waaraan hij ook een praktijk verbond van hulp aan ouders en kinderen bij opvoedingsmoeilijkheden. Voor dit werk muntte hij de term klinische pedagogiek. Naast de universitaire opleiding was ook de opleiding voor de akten MO-A en MO-B pedagogiek een belangrijke taak van het Pedagogisch Instituut. Langeveld was een aanhanger van de Utrechtse Fenomenologische School. In 1972 ging hij met emeritaat. Na zijn afscheid van de universiteit was Langeveld enige tijd verbonden aan de 'experimente universiteit' van Henri van Praag in Lugano (Zwitserland). Hij bleef ook nog geruime tijd publiceren. Langeveld kreeg eredoctoraten aan de universiteit van Zürich en Pretoria. In 1966 ontving hij een Koninklijke onderscheiding (de Ridderorde).
Vader: Schoolmeester.
BRON


BEELD
M.J.Langeveld. Pedagoog aan de hand van het kind

 
- zie ook 1939 -
J.W. van Hulst, Levensbericht M.J. Langeveld, in: Jaarboek, 1991, Amsterdam, pp. 154-162

 

Stephan Strasser
1905–1991
Groeide op in Wenen en studeerde daar en te Dijon Duitse en Franse taal- en letterkunde, alsmede psychologie, filosofie en pedagogie. Kwam ingevolge de Anschluss in 1938 naar België waar hij tijdens de oorlog clandestien werkzaam was aan het Husserl-archief. Publicaties: Cartesianische Meditationen und Pariser Vortraege (1950) en Fenomenologie en empirische menskunde. Van 1947-1975 was hij buitengewoon hoogleraar wijsgerige psychologie en filosofische antropologie en de normatieve en historische pedagogiek aan de Katholieke Universiteit Nijmegen.
BRON
  • De Polytechnische School wordt omgevormd tot Technische Hogeschool. De instelling valt nu niet meer onder het middelbaar onderwijs maar onder het hoger onderwijs en verkreeg het 'ius promovendi', het recht om de doctorsgraad te verlenen.
  • Tijdschrift voor oud-leerlingen ‘De vriend der doofstommen’.
  • Oprichting van de 'Nederlandse Vereniging voor Heelkunde'.
  • De bestaande jongensgestichten - Alkmaar, Avereest (Veldzicht) en Doetinchem (De Kruisberg) - krijgen ieder een aparte bestemming. Het kasteel Montfoort wordt bestemd voor opname van alle meisjes die niet in particuliere gestichten ondergebracht kunnen worden.
  • Zevende algemeene vergadering der Vereeniging van Hoofden van Scholen in Nederland.

    Nieuws van den Dag, 26 april 1905
     
  • Haagsche Gemeentezaken

    Algemeen Handelsblad, 5 februari 1905
     
  • Onderzoek

    Het nieuws van den Dag, 10 februari 1905
  • Schreuder, A.J. (1905). Achterlijke kinderen. In: Zernike C.F.A (red.) Paedagogisch Woordenboek, 35-86. Groningen. J.B. Wolters.
     
  • Zernike, C.F.A. (1905). Blinden-onderwijs. In: Zernike C.F.A (red.) Paedagogisch Woordenboek, 152-155. Groningen. J.B. Wolters.
     
  • Zernike, C.F.A. (1905). Doofstommen. In: Zernike C.F.A (red.) Paedagogisch Woordenboek, 239-243. Groningen. J.B. Wolters.
     
  • Andriesse, K. (1905). Kindergebreken. In: Zernike C.F.A (red.) Paedagogisch Woordenboek, 597-612. Groningen. J.B. Wolters.
     
  • Schreuder, A.J. (1905). Kinderstudie. In: Zernike C.F.A (red.) Paedagogisch Woordenboek,  612-639. Groningen. J.B. Wolters.