

LINK| Ietje Kooistra |
| 8 januari 1861 Drachten-23 augustus 1923 Apeldoorn |
| Zij was acht jaar, toen haar vader in 1869 overleed. Op 6 februari 1896 solliciteerde zij naar de functie van directrice van de eerste Rijkskweekschool voor onderwijzeressen in Nederland – Apeldoorn -. Zij bleef dit tot 30 september 1914. |
| Vader: Schipper Folkert Boukes Kooistra. |
| BRON |
Ietje Kooistra (1902). Het recht van de phantasie en de opleiding van den onderwijzer. De Gids.
LINK
| Mr G.T.J. de Jongh |
| 1861-1949 |
| Hij werd korte tijd na zijn promotie advocaat en begon zijn rechterlijke loopbaan te Rotterdam evenals zijn sociaal werk. In Rotterdam richtte hij mede Pro Juventute op. In 1906 ging hij naar Amsterdam waar hij lid en al spoedig voorzitter werd van de Amsterdamsche Afdeeling van het Genootschap tot zedelijke verbetering van Gevangenen. Hij was de pionier van de moderne reclassering, en ijverde in woord, geschrift en vonnis voor het doorbreken van de opvoedende naast de vergeldende gedachte in de strafrechtspleging. In 1921 op 61-jarige leeftijd werd hij nog kinderrechter in Amsterdam. Hij bleef dit tot 1933. Persoonlijk zocht hij zijn gezinsvoogden uit en persoonlijk recruteerde hij zijn medewerkers. Hij stichtte het eerste Tehuis voor werkende meisjes, een vernieuwend model voor het gestichtswezen in ons land. Dit om zo min mogelijk kinderen voor de rechterstoel te krijgen. Hij streed voor een aparte Kamer voor familieaangelegenheden bij de Amsterdamse Rechtbank, opdat het door echtscheiding getroffen kind daarvan zo min mogelijk te lijden zou hebben. De Jongh ijverde voor 'tehuizen voor halve vrijheid': kleine tehuizen voor jongens en meisjes in de stad van waaruit zij de school en werk kunnen bezoeken en waar ze 's avonds weer terugkeren; een opzet om de aanpassing aan het leven in de maatschappij geleidelijker te laten verlopen. |
| BRON: Het Vaderland, 25 maart 1931. |